Met een taalachterstand moet je wat harder lopen. Het is niet anders

Als kind had hij zelf een taalachterstand. Tweede Kamerlid Malik Azmani (VVD) vindt dat je van werklozen moet eisen dat ze Nederlands leren. „Slachtofferschap heeft geen zin.”

Malik Azmani voor zijn basisschool in Heerenveen. „Taal bepaalt hoe ver je komt en of je je kunt handhaven.”
Malik Azmani voor zijn basisschool in Heerenveen. „Taal bepaalt hoe ver je komt en of je je kunt handhaven.” Foto Bram Budel

Op het plein van zijn oude basisschool in Heerenveen laat VVD-Kamerlid Malik Azmani zien waar hij stond als er werd gevoetbald: in het doel. „Niet omdat ik zo balvaardig was. Negen van de tien keer kon ik een bal niet vangen.” Hij stond daar omdat hij zo dik was. De kans dat de bal toch werd tegengehouden was groter dan bij andere kinderen.

Een veel groter probleem was zijn taalachterstand. Azmani’s vader was in de jaren zestig uit Marokko naar Nederland gekomen en sprak gebrekkig Nederlands. Zijn Friese moeder was op haar dertiende gestopt met de huishoudschool en sprak met haar kinderen vooral Fries. Nederlands bleef tot aan het eind van groep 8 een probleem voor Azmani. Zijn schooladvies: lts. „Kun je het je voorstellen?”, zegt hij. „Dat je met twee linkerhanden naar een technische school wordt gestuurd?”

Azmani (38) is allang niet meer dik, hij deed gymnasium, studeerde rechten en praat alsof hij uit Het Gooi komt. Zijn achtergrond maakte hem in Den Haag de afgelopen jaren tot een van de felste verdedigers van de ‘taaleis’ in de bijstand, een idee van de VVD en binnenkort een wet waardoor werklozen hun uitkering kwijtraken als ze geen Nederlands willen leren. In de Eerste Kamer, die de wet een van de komende weken behandelt, lijkt er net als in de Tweede Kamer een ruime (en vooral rechtse) meerderheid vóór te zijn.

De bedoeling in het regeerakkoord was: geen Nederlands, geen bijstand. Door de PvdA werd de eis een ‘inspanningsverplichting’. Moet je alleen je best doen?

„Nee. Je moet bereid zijn om Nederlands te leren en je moet resultaat laten zien. Anders word je gekort op je uitkering.”

Maar niet als het toch mislukt.

„Als je een bepaalde mate van een handicap hebt, kan dat een reden zijn om van de regels af te wijken. Maar zo’n uitzondering zal goed gemotiveerd moeten worden. Dat de wet door sommigen anders wordt gepresenteerd, komt omdat men het een lastige regeling vindt.”

U bedoelt coalitiepartner PvdA?

„Bijvoorbeeld.”

In het Tweede Kamerdebat over de taaleis, eind vorig jaar, begon Azmani zijn verhaal met Koos Vervoort, ex-analfabeet en nu ‘ambassadeur’ van de Stichting Lezen en Schrijven. „Vervoort was bij mij langsgeweest in Kamer. We hebben twee uur gepraat, we herkenden bij elkaar het gevoel van verdriet als het niet lukte met de taal, en de hoop dat het op een dag toch lukt.”

U nam de autochtone Vervoort als voorbeeld om de indruk te vermijden dat de wet vooral is bedoeld voor allochtonen?

„De wet is voor iedereen die het Nederlands niet machtig is. Volgens de Stichting Lezen en Schrijven is 65 procent van de laaggeletterden autochtoon en 35 procent allochtoon. Je hebt als overheid de plicht om van iedereen in de bijstand te verwachten dat hij meedoet. Taal bepaalt hoe ver je komt en of je je kunt handhaven.”

Op het plein van de Sint Jozefschool, in het centrum van Heerenveen, staat opeens de docent van groep 1 en 2, Thea Temming. Ze had haar oud-leerling zien rondlopen. Malik Azmani, zegt ze, hoorde bij de eerste lichting allochtone kinderen op haar school. „Ik vond het rijk, al die culturen.” Er was een Turkse jongen bij die nu advocaat is. „En jij zit in de gemeenteraad?”

De Tweede Kamer. „Echt waar?” Ze is even stil en zegt dan: „Jij was anders dan de anderen. De inspecteur die een keer langskwam, zag dat ook.”

„Hoe dan?”

„Jij had iets, hoe zal ik het zeggen, welbespraakts.”

„Juf Thea”, roept Azmani uit. „Ik kwam nauwelijks uit mijn woorden. Ik zat op logopedie en kreeg bijles. En van jullie moest ik naar de lts.”

Thea Temming kan het zich niet herinneren. Ze weet nog wel dat Azmani „aan de gezette kant” was. „Ik denk door dat lekkere Marokkaanse eten.”

Azmani: „Misschien eerder door mijn pake en beppe, bij wie ik tussen de middag altijd warm ging eten. En ’s avonds thuis weer warm eten. Met sport kwam ik niet in aanraking.”

Als ze weg is, zegt Azmani: „Ik begrijp wel dat ze me anders vond. Ik gedroeg me oud, ik nam alles serieus.”

Zijn vader, Abdellah Azmani, had in Marokko de middelbare school afgemaakt, hij was voorbestemd voor een kantoorbaan. Zijn eigen vader was burgemeester. Maar Abdellah Azmani vertrok met zijn jongste broer naar Europa. Na een jaar kwam hun vader de jongens ophalen, maar Abdellah wilde niet mee terug. Hij trouwde met een Fries meisje en werkte in de Batavusfabriek, later in een garage als automonteur.

Malik Azmani: „In zijn omgeving werd mijn vader voor gek verklaard omdat hij elke ochtend met een broodtrommel naar zijn werk fietste. Hij kon toch een uitkering krijgen? Hij werkte door tot de vut, maar na drie maanden vut stond hij aan de lopende band. Hij vond dat je moest werken als je kon.”

Azmani zelf kreeg voor elkaar dat hij na de basisschool naar de brugklas havo/vwo mocht. „Ik dacht: ik kan het.” Hij kreeg bijles Nederlands en gym.

Hij werd islamitisch opgevoed, zat op katholieke scholen en trouwde met de dochter van een hervormde dominee. Hij eet geen varkensvlees, maar gaat nooit naar de moskee.

Bent u nog onzeker over uw Nederlands?

„Ja. Ik maak ook nog taalfouten. Ik ben me voortdurend bewust van wat ik zeg. Vooral bij spreekwoorden of uitdrukkingen gaat het vaak mis. Het blijft altijd minder makkelijk gaan dan wanneer je een taal van huis uit meekrijgt.”

U groeide op in Friesland tussen veel Nederlandssprekende kinderen. Is dat niet makkelijker dan wanneer je als Marokkaans jongetje in Amsterdam Nieuw-West woont?

„Ik kan me voorstellen dat je sneller geneigd bent om in je eigen kringetje te blijven met alleen Marokkaanse kinderen om je heen. Maar ik had zelf ook Marokkaanse vriendjes. Het komt altijd op jezelf aan. En ik ben niet iemand die de makkelijkste weg kiest. Mijn boodschap is: je hebt in zo’n situatie, met een taalachterstand en een andere cultuur, twee opties: je voelt je slachtoffer, maar dat brengt je niet verder. Of je moet wat harder lopen dan de ander. Dat is misschien niet rechtvaardig, maar het is niet anders. Ik ontken niet dat er discriminatie is op de arbeidsmarkt. Dan kun je aangifte doen. Maar je kunt niets veranderen aan het automatisme dat mensen zich graag in een ander herkennen en dus zoeken naar overeenkomsten.”

Hoe staat het ervoor met de integratie?

„We hadden falend beleid in de jaren 70 en 80, toen iedereen dacht dat gastarbeiders zouden teruggaan naar hun land. We hebben er nu nog last van. Pas in 2006 zijn de subsidies afgeschaft voor les in eigen taal en cultuur. Utrecht geeft nog subsidie aan de moskeeorganisatie Ulu. We hebben Marokkaanse voetbalclubs. Ik snap het, maar je helpt er niemand mee. Het doet me pijn om te horen hoeveel mensen zich tweederangsburgers voelen. En als ik eraan denk hoe mijn vader klein werd gehouden.”

Hoe werd hij klein gehouden?

„Er werd niks van hem verwacht. Alleen dat hij zou terugkeren en dus moest hij zijn taal en cultuur behouden. Hem werd niet het idee bijgebracht dat Nederlands belangrijk was. Als hij in zijn taal niet zo beperkt was geweest, had hij het verder kunnen brengen.”

Voelt uw vader zich tweederangsburger?

„Ik denk dat hij teleurgesteld is over wat hij heeft bereikt in Nederland. Ze wonen nog steeds in hetzelfde kleine huisje als vroeger, met een klein pensioen.”

Had hij niet zelf moeten bedenken dat taal belangrijk was?

„Ik ben trots op mijn vader. Misschien had hij meer moeten doen, maar hij probeerde zich aan te passen en hij werkte ook door als hij griep had. Hij deed altijd zijn best.”

Kort na het vraaggesprek zegt Azmani door de telefoon dat hij nog was langsgegaan bij zijn ouders. „Ik heb verteld over juf Thea die mij zo welbespraakt vond vroeger. Daar hebben ze hartelijk om gelachen.”