Hier leer je de kunst van het bellen

Schrijver Aukelien Weverling ging op zoek naar een vaste baan. Ze dacht met haar diploma journalistiek, drie talen en tien jaar ervaring, een goede kans te maken – het bleek nog best lastig. In deze serie vertelt zij over haar ervaringen als hoger opgeleide op een overspannen arbeidsmarkt. Vandaag de eerste aflevering: telefonisch enquêteren.

Illustratie Hajo

‘Dit is hem dan.” „De telefoon?” „Niet zomaar een telefoon, de telefoon waar jij mensen mee gaat bellen.”

De senior die ons opleidde liet een stilte vallen. We bevonden ons in de vergaderkamer van het pand, aan de afmetingen van de ruimte kon je afleiden dat er of door hele kleine mensen vergaderd werd, of bijna niet vergaderd werd. Naast de vergaderkamer was ‘de zaal’, daar zaten onze toekomstige collega’s met asgrauwe gezichten in rijen te bellen naar mensen die daar nagenoeg niet op zaten te wachten.

„Laten we er even mee oefenen”, de senior wees enthousiast naar de telefoon.

Tuuuut… tuuuut…

En zo vond ik mezelf terug in de ietwat aandoenlijke situatie waarin ik door een afgesloten telefoon „hallo” riep. „Je moet hem eerst laten overgaan”, corrigeerde de senior, waarna ik braaf begon aan een „tuuuut… tuuuut…” Het voelde kinderlijk en stressvol tegelijk, ik bedwong mezelf om hem niet te manen vooral eens op te nemen. Hij lachte toen hij mijn ongeduld zag: „Ha, dat is je eerste les! Na vijf keer overgaan hang je op, en bel je de volgende.”

Het waren rudimentaire lessen in het telefonisch enquêteren die ik die ochtend opdeed. Ophangen na vijf keer overgaan dus, niet met kauwgom in je mond bellen, beleefd zijn. Een studentenbaantje met studentenvoorwaarden en studenten ‘pay’. Het meest verontrustend was misschien dat er maar twee studenten in ons groepje zaten. De rest bestond uit dertigers, vrijwel allemaal afkomstig uit de culturele sector. Muzikanten, schrijvers, beeldend kunstenaars die bij zichzelf leken te denken: ik doe dit wel, want als ik een vaste baan neem dan is het gedaan met de kunst.

Naast me inspecteerde de 35-jarige orkestleider zijn headset. „Hij is wel al veel gebruikt”, merkte hij op.

„Hij is ingebeld”, corrigeerde de senior hem.

Het meisje dat tijdens het voorstelrondje had uitgelegd dat ze opgeleid was als autonoom beeldend kunstenaar, maar dat dit haar ook wel leuk leek, keek moedeloos naar buiten. Toen zij begon aan de Rietveld Academie had ze natuurlijk ook niet voorzien hoe het allemaal lopen kon. Dat ze zouden snijden in de subsidies waardoor elke pot verf nu uit eigen zak kwam en een solo-expositie moeilijker te regelen was dan ooit. En daar zat ze dan nu, tussen die orkestleider die in de pauze droevig had verteld over zijn dagen aan het conservatorium, naast die slecht verkopende schrijver die nog steeds geloofde dat ze met haar volgend boek misschien zou doorbreken en tegenover die acteur die niemand nodig had. Die acteur had tijdens het voorstelrondje uitgelegd dat het hem leuk leek om met ‘spelen’ mensen zover te krijgen mee te doen aan een telefonisch onderzoek. Dat deed hij dan echt om in het vak te blijven, want zo ongeveer de eerste zin die tot ons gericht werd was: ‘wij werken niet met bonussen maar met voldoening’.

Die dag al mochten wij onbetaald aan de slag voor die voldoening. We belden onbekenden en stelden ze vragen over welke supermarkt zij bezochten en wat ze vonden van de sfeer. „En welk cijfer geeft u de kaasafdeling van deze supermarkt, wanneer 10 staat voor erg goed en 1 voor erg slecht?”

Je bent schrijfster toch?

Na het bellen volgde een evaluatie. „Zou je bij de open vragen zo compleet mogelijk kunnen zijn?” vroeg de senior me.

„Zijn ze niet compleet?”

„Kijk, hier eens, hier is de open vraag: wat vindt u van de sfeer op de vleeswarenafdeling? En jouw antwoord is: de sfeer is goed. Dat kan erg verwarrend zijn voor degene die de antwoorden verwerkt. Beter is het om te schrijven: Ik vind de sfeer goed op de vleeswarenafdeling. Dat je gewoon heel duidelijk schrijft. Je bent schrijver, toch?” Ik knikte. „Is dit het werk dat jij voor zou leggen aan je uitgever?” Ik schudde mijn hoofd. Dit was niet het werk dat ik voor zou leggen aan mijn uitgever. „Nou dan, ik denk dat je gewoon bij elke open vraag moet nadenken of je die zo aan je uitgever voor zou leggen.” Ik knikte weer.

Uiteindelijk heeft het nog een dag of vier geduurd, tot ik mijn headset inleverde en de deur daar achter me dichttrok. De senior wilde weten waarom ik er nu al de brui aan gaf. Of het aan hem lag? Ik zei: „Een beetje. Maar het is voornamelijk omdat ik nog hoop heb op iets beters.” Ik groette de orkestleider die driftig aan het bellen was, de acteur zwaaide enthousiast terug. Alleen de beeldend kunstenares tuurde uit het raam en reageerde niet. Ik vroeg me af of zij, door daar te blijven zitten, betere of slechtere kunstenaars waren dan ik.