Einde schijnzelfstandigen is in zicht – en dat is goed voor hen

Illustratie R.J. Matson

Schijnzelfstandigen verdienen bescherming, geen kartelverbod. Goed dat het Hof van Justitie van de Europese Unie dat bekrachtigt, meent Maarten Stekelenburg.

Het Hof oordeelde op 4 december dat minimumtarieven voor schijnzelfstandigen onderdeel mogen zijn van cao’s. In ons arbeidsrecht bestond al langere tijd de mogelijkheid voor sociale partners om ook arbeidsvoorwaarden overeen te komen voor werkenden die geen werknemer zijn, zoals zzp’ers.

Toen FNV Kunsten, Informatie en Media (FNV KIEM) in de onderhandelingen voor de cao ‘remplaçanten bij symfonieorkesten 2006 –2007’ van deze mogelijkheid gebruik maakte door minimumtarieven overeen te komen voor zelfstandigen, protesteerde de toenmalige Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa).

Volgens de NMa betekende deze mogelijkheid in het arbeidsrecht om minimumtarieven vast te leggen in een cao niet dat dit ook was toegestaan op grond van het mededingingsrecht. Kort gezegd was de NMa van oordeel dat zzp’ers zijn te kwalificeren als ondernemers en overeenkomsten over minimumtarieven als een prijsafspraak. Prijsafspraken tussen ondernemers vallen onder het kartelverbod. Dat deze prijsafspraken in de vorm van een cao zijn gegoten, maakt dit niet anders.

In de rechtszaak die volgde tussen FNV KIEM en de NMa werd in hoger beroep een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie: zijn prijsafspraken voor zzp’ers in cao’s in strijd met het mededingingsrecht voor zover het zzp’ers betreft die hetzelfde werk uitvoeren als werknemers die direct onder de cao vallen?

Lees verder in NRC Handelsblad: ‘Einde schijnzelfstandigen is in zicht – en dat is goed voor hen’ (€)