De vraag is hoe waar de waarheid is

Een stelling van Maxim Februari werd onlangs door de krant gecheckt. Uitkomst: waar. „Maar is mijn bewering daarmee onomstotelijk waar?”

illustratie jenna arts

Toen ik onlangs op deze pagina een getal noemde – het aantal namelijk van de zwakbegaafden in Nederland – nam niet iedereen dat meteen maar voor kennisgeving aan. „Lekker objectief”, reageerde ene Aad oplettend. Die Februari is immers zoals iedereen wel weet een „prominent lid van de linkse kerk”. Met andere woorden, dat getal zal vast verzonnen zijn.

Nou breekt mijn klomp, dacht ik. Je kunt veel lelijke dingen van me zeggen, maar lid van iets links? Toch hadden meer mensen hun twijfels. Die twijfels bleken zelfs zo hevig dat deze krant zich op de zaak wierp en besloot het getal te checken. Nadat ik mijn bronnen had opgegeven en nrc.next zelf studies had geraadpleegd kwam het verlossende woord: de stelling over het aantal zwakbegaafden is waar. Dat leek me nu weer het andere uiterste.

Kracht van herhaling

Next en ik konden ons wel trouwhartig beroepen op het feit dat we in al onze objectiviteit het getal ergens hadden gelezen, maar citeren maakt iets nog niet onomstotelijk waar. Soms denken deelnemers aan debatten duidelijk van wel; die vertrouwen dan volledig op de kracht van de herhaling. ‘What I tell you three times is true.’ Maar hoe gezaghebbend je ook bent en hoe gezaghebbend je bronnen ook mogen zijn, waarder wordt een bewering er niet van.

Hoewel het aantal van de zwakbegaafden in Nederland wel degelijk was vastgesteld door betrouwbare onderzoekers, hing hun meting direct af van hun definitie van zwakbegaafd. Zoals het aantal ADHD’ers in een klaslokaal afhangt van de definitie van ADHD. En de welvaart in Nederland van de definitie van welvaart. Daar komt nog bij dat onderzoekers zelf altijd worden gevormd door hun onderzoeksgebied; economen die lang zijn blootgesteld aan klassieke economische theorieën komen met een andere welvaartsmeting op de proppen dan de controlegroep.

Draai een tijdje zo rond in een kringetje – de onderzoeker vormt de definitie en de definitie vormt de onderzoeker – en Aad wordt er terecht een beetje duizelig van.

Maar was het wel zo nodig dat de bewering waar was?

Lange tijd werd die eis helemaal niet gesteld aan testresultaten. Zo heb ik altijd goede sier kunnen maken met het verhaal dat onderzoekers volgens het strafprocesrecht de waarheid niet hoefden te spreken in de rechtszaal. Van oudsher hadden getuigen weliswaar de plicht ‘de waarheid en niets dan de waarheid’ te komen vertellen, maar die plicht gold niet voor deskundigen.

De achterliggende gedachte was dat leken met het wetsartikel alleen een morele plicht opgelegd kregen: ze mochten niet liegen. Zou je van onderzoekers ook de waarheid verlangen, dan zou de suggestie ontstaan dat ze een wetenschappelijke waarheid moesten komen verkondigen die ze in feite nooit onomstotelijk konden vaststellen.

Daarom hoefden zij in een rechtszaak slechts ‘naar geweten’ te schetsen wat de stand van zaken was op hun vakgebied.

Deze laconieke omgang met de waarheid – we zoeken ernaar, maar we vinden haar nooit – was geen uitwas van moderne of postmoderne decadentie, maar een verstandige kijk op de ontwikkeling van kennis en inzicht. Die dateerde ook niet van vandaag of gisteren, maar was er al eeuwen.

Totdat het huidige onbuigzame tijdsgewricht aanbrak en zoveel wijsheid niet langer werd geduld. Een paar jaar geleden is de wet daarom veranderd, de positie van de deskundigen in het strafproces is aangepast en sindsdien hebben ze er een plicht bij. ‘De deskundige wordt bij zijn verhoor op de terechtzitting beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.’

Natuurlijk kwam er bezwaar. De wet wil nu dat mensen niet alleen hun deskundige opinie inbrengen, maar dat ze met een waarheid aankomen die ze onmogelijk kunnen hebben gevonden. De betrokkenen sputterden. Het dubbelhartige antwoord van de toenmalige minister luidde dat je van de deskundigen toch mocht vragen dat ze in ieder geval ‘naar waarheid’ kwamen vertellen wat ze hadden gemeten en welke feiten uit de tests naar voren waren gekomen.

Naar eer en geweten

Wakkere commentatoren merkten op dat deskundigen die plicht vroeger ook al hadden, toen ze ‘naar geweten’ moesten komen verklaren. De uitleg van de minister maakte van waarheid een moreel begrip, zoals het dat ook is in de plicht die aan leken werd opgelegd: het enige wat je in de getuigenbank hoeft te doen is niet liegen. Typisch eenentwintigste-eeuws is de bestuurlijke pretentie dat je daarmee de ultieme waarheid in pacht hebt.

Uit dit alles kon je vooral concluderen dat Aad het bij het rechte eind had gehad. Het was niet zozeer de vraag of de bewering die ik deed waar was. Het was de vraag of de onderzoekers die ik citeerde naar eer en geweten tot hun uitkomst waren gekomen. Het ging er maar om dat ik de kluit niet had belazerd. En wat denk je? Dat had ik ook niet.