Opinie

Aan Zijne Excellentie

Een brief als een trefzekere vuistslag. Een Joodse vader verzoekt een minister zijn zoon niet naar het opstandige Indonesië te sturen. Dat was de brief die ik aantrof op een interessante tentoonstelling in het Joods Historisch Museum in Amsterdam, gewijd aan de onbekende geschiedenis van Joden in Nederlands-Indië. Het was de aanhef die mij nieuwsgierig maakte: „Aan Zijne Excellentie, Minister van Oorlog, ’s-Gravenhage.” Gedateerd: Arnhem, 25 september 1946.

„Excellentie, Ondergetekende Bernard Wolf, vader van den dienstplichtige Soldaat Max Wolf, veroorlooft zich inzake het volgende Uwer Excellentie aandacht te vragen:

1) Tijdens de Duitse bezetting werden twee mijner kinderen en schoonzoon door de Duitsers gedeporteerd. Daar zij tot heden niet zijn teruggekeerd, moet worden aangenomen, dat zij hun leven hebben moeten geven.

2) Mijn zoon, voornoemde dienstplichtige Max Wolf is het mij éénigst overgebleven kind.

3) Mijn gezin is niet alleen in rouw over onze kinderen, die wij hebben moeten afstaan, doch verkeert tevens in moeilijke omstandigheden, doordat wij gedurende de Duitse terreur en speciaal ook in de periode gedurende welke Arnhem was geëvacueerd, van alles beroofd zijn en onze bezittingen verwoest.

4) Wanneer mij thans op 65-jarige leeftijd de steun van mijn zoon door verplichte dienstneming zou komen te ontvallen, zou de positie van mij en mijn vrouw uiterst precair worden.

Het is om deze redenen, dat ik mij met de Uwer Excellentie verschuldigde eerbied tot U wendt met het dringende verzoek mijn zoon voornoemd van dienstplicht te willen ontslaan resp. hem voor opkomen in werkelijke dienst enige jaren uitstel te willen verlenen, teneinde de basis te scheppen voor een voor mij en mijn gezin minder zorgvolle toekomst.

Mede als gereed motief voor mijn verzoek, hetwelk ik uit de aard der zaak mede namens mijn zoon doe, zou ik de aandacht Uwer Excellentie willen vestigen op het feit, dat mijn zoon na in 1942 in België te zijn ondergedoken, alreeds gedurende 22 maanden in Geallieerden dienst is geweest, zoals U uit ingesloten bijlage moge blijken. In afwachting ener gunstige en zo mogelijk spoedige beslissing en reeds bij voorbaat Uwe Excellentie daarvoor dankbetuigend.”

Uit een tekst bij de foto blijkt dat „slechts in een enkel geval” aan Joodse mannen vrijstelling was verleend. Ik las het met verbijstering en vroeg me af wat er in dit geval was gebeurd. Van Max Wolff (het is Wolff, de spelfout was gemaakt door de burgemeester van Arnhem die de brief voor zijn vader schreef) hoorde ik dat hij al ingescheept was voor Indonesië toen het bericht van zijn dispensatie kwam.

Zijn ouders waren bij de minister op audiëntie geweest, een onderhoud dat zó emotioneel verliep dat ze gedrieën in snikken uitbarstten. Die minister uit het KVP-PvdA-kabinet Beel I was Alexander Fiévez, een ex-militair die zich in Duitse krijgsgevangenschap onderscheiden had door zijn moedige gedrag. Hij moet beseft hebben dat hij het deze ouders met hun gruwelijke voorgeschiedenis niet kon aandoen ook het leven van hun enig overgebleven kind op het spel te zetten.

Max Wolff herinnert zich nog goed dat zijn antisemitische regimentscommandant hem vervolgens toevoegde: „Nu moet je niet denken dat jij er weer vanaf komt.” „Wat bedoel je?” vroeg Max. Hij kreeg geen duidelijk antwoord.