Opinie

Vaders en zonen

Er gaat heel wat mis in vader-zoonrelaties, merkte ik de afgelopen weken waarin toch weer zo vurig naar vrede op aarde werd verlangd. Ik las het terug in allerlei publicaties van zeer uiteenlopende aard. Komt het ooit nog goed tussen vaders en zonen? Ik vrees het ergste.

Ik ben begonnen aan de autobiografische romancyclus van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård. Wat meteen opvalt: Karl Ove kan totaal niet met zijn vader overweg. Het is zwijgen of grommen, mijden of verdommen. „(Hij) zei dat ik eruitzag als een idioot, dat hij niet begreep waarom ik er wilde uitzien als een idioot en dat hij zich ervoor schaamde mijn vader te zijn.”

Tussendoor lees ik oude ‘boontjes’, de dagelijkse columns van Louis Paul Boon in het Gentse dagblad Vooruit. Op 2 april 1960 beschrijft hij in het stukje Vader en zoon hoe hij enkele door zijn zoon genomen foto’s bekijkt. „Ik praat niet zoveel met hem, ik heb de indruk of tussen ons een meterdikke muur staat […].” Hij wordt er weemoedig van: „‘Een vader heeft nooit iets aan zijn zoon’, dacht ik.” Aan het slot herinnert hij zich dat zijn zoon ooit tegen zijn moeder heeft gezegd, dat een zoon nooit wat aan zijn vader heeft. Toemaar!

Mijn lectuur onderbreek ik voor het dagelijkse leesvoer van de kranten. In een bijlage met persoonlijke verhalen in deze krant treft mij het lange artikel van Arjen Schreuder over een gezin waarvan de zoon bij de ramp met de MH17 is omgekomen. Wat blijkt? De vader betreurt achteraf de spanningen tussen hem en zijn zoon: „Wat we wel moeilijk vonden, is dat hij heel kwetsend kon zijn. Dat is mijn pijn.”

Dan valt Volkskrant Magazine op de mat met een interview met schrijver Gustaaf Peek. Zijn vader is tweeënhalf jaar geleden overleden, de zoon had volledig met hem gebroken. „Hij had zelden een vriendelijk woord voor mij over. Ik moest rechten gaan studeren, hij wilde niet dat ik schrijver zou worden. […] Ik koos ervoor geen contact meer met hem te hebben.”

Ik moet denken aan het rake gedicht Vader van columnist Nico Scheepmaker (1930-1990) dat ik een dag eerder had gelezen.

Mijn vader werkte, thuis, op zijn kantoor./ Ik wist niet beter of daar was hij voor./ Hij schreef miljoenen cijfers in de boeken/ en ik deed weinig moeite hem te zoeken.

Pas nu ík vader ben komt ook mijn vader/ bij elke stap van Sara mij steeds nader:/ hij wás er dan toch maar, en hield van mij,/ al ging dat ongemerkt aan mij voorbij.

Niet helemaal, - maar zijn onhandigheid/ vermengde zich met zijn gebrek aan tijd/ waardoor wij tussen al het grappen maken/ alleen nog samen over voetbal spraken.

Zo kwamen wij, op parallelle wegen,/ elkaar in feite nooit ’n keertje tegen.

Veel zonen en vaders zullen zich in een of meer van bovenstaande teksten herkennen. Zelf zie ik vooral in de hardwerkende vader van Scheepmaker mijn eigen vader die pas na zijn pensioen tijd had voor persoonlijker contact; ik herken hem ook een klein beetje in de vader van Peek toen hij niet goed begreep waarom zijn zoon geen zakenman wilde worden zoals hij, maar journalist. Nou ja, hoofdredacteur dat kon nog. Nee? Wat wilde ik dan? Schrijven? Hoezo?