Schildersfamilie Kruseman: kundig

in Oss toont in zestig schilderijen een portret van een kunstenaarsfamilie en de 19de eeuw

‘Niet de Staten, maar gij, gij, gij’, zou Philips II, bij zijn vertrek uit de Nederlanden, hebben gezegd tegen Willem van Oranje. De Spaanse koning en de Hollandse rebellenleider troffen elkaar in 1559 in Vlissingen waarbij Philips het punt maakte dat hij niet de regering maar de lokale adel, aangevoerd door de Oranjeprins , als zijn belangrijkste tegenstander zag. Een groot schilderij met daarop die scène, is vanuit het gebouw van de Tweede Kamer naar Oss getransporteerd, ter gelegenheid van de tentoonstelling in Museum Jan Cunen van werk van telgen uit het negentiende-eeuwse schildersgeslacht Kruseman. Het ruim twee en een halve meter hoge werk is een mooi staaltje van romantische historieschilderkunst van de grondlegger van de kunstenaarsdynastie, Cornelis Kruseman (1797-1857).

In het schilderij grijpt de Spaanse koning de jonge prins met een hand bij de pols en zwaait met de wijsvinger van de andere beschuldigend naar de in zijn ogen verraderlijke opstandeling. De compositie met veel figuren, gevarieerde gezichtsuitdrukkingen en onderhoudende bijfiguren als de twee jongens met een hond linksonder, verraadt Cornelis’ belangstelling voor de Italiaanse schilderkunst van de Renaissance. Het is het meest ambitieuze werk in de tentoonstelling; Cornelis is verder vooral bekend geworden met genretafereeltjes die een beeld moeten oproepen van het ongerepte, misschien ook wat ondeugende leven op de het platteland rond Rome, de stad waar hij zelf enkele jaren verbleef.

Cornelis Kruseman en de iets jongere Jan Adam (1804-1862) zijn de bekendste kunstenaars uit een wijdvertakte Hollandse familie waarin telkens weer neven en achterneven opdoken die zich wijdden aan de schilderkunst. De tentoonstelling in Oss, die ook naar het Stedelijk Museum Alkmaar gaat, geeft daarvan met zo’n zestig schilderijen en prenten een mooi beeld, dat de hele negentiende eeuw omspant. Zo is er van de gevierde Jan Adam een reeks knappe portretten van leden van de gegoede burgerij en aristocratie, van een groot, levendig portret van een aandoenlijke knaap van elf jaar met blonde kuif en tennisracket, tot een formeel staatsieportret van koning Willem II. Ook Frederik Marinus (1816-1882) en Jan Theodoor Kruseman (1835-1895) verstonden hun vak, al beperkte hun productie zich vooral tot verdienstelijke maar verder weinig opwindende ijs- een zeegezichten. Verrassender zijn de biografie en het werk van Hendrik Dirk, die zich naar de achternamen van zowel zijn vader als zijn moeder Kruseman van Elten noemde (1829-1904). Na omzwervingen in Gelderland en Drenthe, Zwitserland en Tirol, vestigde hij zich in 1865 in New York. Daar zou hij zo goed als zijn hele verdere leven blijven wonen en werken. Omdat hij pas in Amerika voor het eerst begon met het maken van etsen noemde hij zichzelf ‘an American etcher’. Het is fascinerend te volgen hoe deze ‘Amerikaanse’ schilder en etser Hollandse thema’s met bijvoorbeeld windmolens blijft combineren met on-Europese, verlaten en weidse landschappen met de cowboyachtige sfeer van drenkende paarden, en soms de ingenieurswerken van de negentiende-eeuwse Nieuwe Wereld. Hendriks portret werd omstreeks 1900 geschilderd door een laatste loot aan de stam van de schildersfamilie, zijn dochter Bessy.