Google en Facebook moeten zijn als gas en licht

Bedrijven als Google zien alleen tegen betaling af van reclame maar ze zijn een nutsvoorziening, aldus Evgeny Morozov.

Google heeft stilletjes een nieuwe dienst gelanceerd, Google Contributor, op basis van een hoogst intrigerend model: de gebruiker betaalt een kleine maandelijkse vergoeding, waarvoor alle advertenties van de websites van zijn partners worden weggehaald. Die vergoeding wordt verdeeld tussen Google en zijn partners – maar alleen als de sites ook echt worden bezocht. Voor Google is dit ‘een experiment met andere financieringsbronnen voor het internet’.

Die bronnen zijn er. Wikipedia, met zijn ideologische verzet tegen reclame, vertrouwt al op donaties. Omdat reclame voor Google de belangrijkste bron van inkomsten blijft, heeft deze stap de meeste analisten in verwarring gebracht. Google heeft een geweldig decennium achter de rug, maar hoe lang deze goudmijn nog zal duren is de vraag. Door de opkomst van apps en smartphones, met hun kleine schermpjes, zijn de gebruikersactiviteiten moeilijker te gelde te maken. Bovendien hebben gebruikers dankzij ‘adblockers’ – slimme browserextensies om opdringerige advertenties te blokkeren – middelen om de lawine van reclame te overleven.

Het duidelijkste pleidooi tegen reclame is onlangs gehouden door Ethan Zuckerman van het Massachusetts Institute of Technology, in een essay dat hij De erfzonde van het internet noemde. Zuckerman huldigt de simpele stelling dat „gebruikers zullen betalen voor diensten waar ze van houden”. Veel uitgevers van oorspronkelijke content – zoals de Financial Times of de Wall Street Journal – hebben nooit de cyber-utopische pil geslikt en rekenen hun gebruikers blijmoedig abonnementskosten. Maar zij zijn ook niet het doelwit van Zuckermans essay; hij richt zich veeleer op sites die iets aanbieden wat we in een ander verband misschien nutsvoorzieningen zouden noemen: sociale netwerken, bookmarking, bloggen, enzovoorts. Voor deze diensten wordt ons gevraagd te betalen.

Maar Zuckermans oplossing berust op twijfelachtige uitgangspunten. Allereerst: waarom zouden we veronderstellen dat surveillancemisbruik minder snel bij betaalde online diensten zal plaatsvinden dan bij hun uit reclame bekostigde broertjes? Uiteindelijk is de hoop dat hun providers niet hoeven te weten wat er door hun pijplijn gaat en gebruik zullen maken van zogeheten ‘end-to-end-encryptie’, waardoor de spionnen moeilijker mee kunnen loeren. De haalbaarheid van deze mogelijkheid hangt geheel af van de aanvaardbaarheid voor wetgevers. Nu al beroepen wetgevers zich maar al te graag op IS, Ebola – of allebei – om te betogen dat geen enkel bedrijf de autoriteiten in het duister zou mogen laten tasten. Hun logica mag haperen, maar zij hebben het voor het zeggen – en totdat zij anders beslissen, zal het surveillancemisbruik doorgaan. De relatie tussen de ‘diepe staat’ en Silicon Valley is veel complexer dan blijkt uit een verhaal dat zich op reclame richt.

Ten tweede kunnen we ons nog wel voorstellen dat Google genoeg van reclame krijgt, maar is het veel moeilijker voorstelbaar dat het genoeg zou krijgen van de vergaring van gegevens – die twee zijn niet hetzelfde. Vrijwel alles wat Google doet draait om de verzameling en personalisatie van gegevens. Van hun slimme thermostaten tot hun slimme auto’s is bij het merendeel van hun paradepaardjes een voortdurende, actuele stroom gebruikersgegevens een vanzelfsprekendheid. Kunnen deze diensten anders worden bekostigd? Ja – maar afgesneden van hun datastromen zullen ze niet meer slim zijn.

Tot slot is er het vraagstuk van de politiek. Google en denkers als Zuckerman hebben deze kwestie uitermate nauw ingeperkt, alsof onze enige opties reclame en een vorm van gebruikersvergoedingen zijn. Dat dit tot nu toe zo is, kan best het gevolg van historische krachten zijn, maar waarom zouden we deze keuze als onvermijdelijk en onveranderlijk aanvaarden?

Als deze sites inderdaad de nieuwe nutsvoorzieningen zijn, kunnen we ook denken aan nieuwe, alternatieve vormen van eigendom, beheer en bekostiging. Recente campagnes inzake andere soorten infrastructuur – van water tot energie – hebben aangetoond dat die nieuwe vormen bestaan.

Hoeveel mensen willen in een wereld leven waar de toegang tot goederen en zelfs tot elkaar – en juist daarin voorziet onze gemeenschappelijke digitale infrastructuur – alleen door de markt kan worden gefaciliteerd, hetzij met behulp van reclame of door betaling van een vergoeding? De meesten van ons doorzien gemakkelijk de consequenties van deze logica als die wordt toegepast op fysieke ruimten en diensten. Maar omdat we ons hebben laten paaien door de neoliberale fantasieën van de internetprofeten, laat onze intuïtie ons bij de meeste digitale zaken in de steek.

Het zal niet meevallen om ons langs deze lijnen een nieuw beeld van onze digitale omgeving te vormen, waarbij vraagstukken van infrastructuur en eigendom centraal in de discussie staan. Dit zal altijd de vorming van instellingen vergen die te vertrouwen zijn; geen sinecure nu onze bestaande instellingen dit vertrouwen dagelijks misbruiken. Niettemin: dit is een veel aantrekkelijker model dan de verinnerlijking van de neoliberale ethiek zoals voorgestaan door Google cum suis. Voor hen is de enige politiek die er bestaat de politiek van de markt. Voor hen telt alleen ons doen en laten als consument: wilt u een advertentie zien of een kleine vergoeding betalen? Reclame is niet de ‘erfzonde van het internet’, maar het neoliberalisme zou dat heel goed wel kunnen zijn.