Geen richting, geen regels en vooral: geen Duitsers

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: de Fransen, die geen Duitsers bliefden.

Ik vraag me weleens af of er een speciaal stofje in het drinkwater zat, in het Parijs van de late negentiende eeuw. Het is nauwelijks te bevatten hoeveel waanzinnig goede, originele en vernieuwende muziek daarvandaan kwam.

Ik schreef eerder dat nationalisme een grote rol heeft gespeeld in de vorming van de canon van de klassieke muziek. Dit hele proces voltrok zich in de negentiende eeuw, en was goeddeels een Duitse aangelegenheid. Bach, Beethoven en later Richard Wagner: de grote operavernieuwer, dat waren de mensen aan wie je je als componist moest meten. Maar in het sterk gecentraliseerde Frankrijk werden eigen muzikale helden gekoesterd. En door de Franco-Pruissische Oorlog (1870-1871) groeide het anti-Duitse sentiment.

Ook in de kunsten. Zo werd in 1871 de Société Nationale de Musique opgericht. Om de eigen, oorspronkelijke, Franse muziek te promoten: de Ars gallica. Wat dat ook moest worden, het moest anders zijn dan wat die ernstige, op vorm en retoriek kickende Duitsers maakten. Omgekeerd stonden Franse componisten in Duitsland in laag aanzien.

Een van de oprichters van de Société was Camille Saint-Saëns (die van Le carnaval des animaux). Ook Gabriel Fauré (die van dat Requiem) en César Franck (die van de Symfonie in d-klein) behoorden tot de vroege leden.

Maar een generatie later gingen ze in Frankrijk pas echt los. Een van die grote vernieuwers was Erik Satie (1866-1925), een drop-out van het conservatorium die zijn geld verdiende als pianist in een nachtclub in Montmartre. Een absintdrinkende excentriekeling die muziek begon te schrijven die heel eenvoudig is, maar waaraan iets ontbreekt: richting.

Saties muziek is statisch, alsof hij tijdens een stuk op de pauzeknop drukt, even vooruitspoelt en dan verdergaat. Als je zijn Sarabandes hoort (een sarabande is een oude dansvorm), is het moeilijk voorstelbaar dat die uit 1887 komen, zo modern klinken ze.

Satie zou misschien nooit serieus genomen zijn als hij niet ‘ontdekt’ werd door Claude Debussy (1862-1918), een componist die al wel succes had. Dat hij zich door Satie liet beïnvloeden, wekte verbazing. Ook zijn muziek, hoewel minder eenvoudig dan die van Satie, onttrekt zich aan de regels van de harmonie. Luister maar eens naar Voiles of La cathédrale engloutie.

Als je de titels van zijn stukken ziet, zal het je niet ontgaan: steeds roepen ze een beeld op. En toen zijn kleurrijke orkestrale drieluik La mer uitkwam, schreef hij erbij dat het trois esquisses symphoniques waren. Schetsen. Alsof hij beeldend kunstenaar was. Niet gek dus dat zijn muziek met het impressionisme in verband werd gebracht.

‘Impressionist’ werd overigens niet als compliment bedoeld. Hij kreeg kritiek: hij zou te veel nadruk leggen op klankkleur en te weinig op vorm. Het duurde lang voordat die kritiek wegsleet. Sterker nog: andere Franse componisten werden met vergelijkbare diskwalificaties afgeserveerd, zelfs een genie als Maurice Ravel (1875-1937). Simpelweg omdat die componisten langs een Duitse meetlat werden gelegd.

Inmiddels zien ze zelfs in Duitsland in dat Debussy een monument is. En dat Ravel met zijn rijke klanktaal, zijn frisse, bloedmooie orkestraties en lyrische melodieën (dat tweede deel uit zijn Pianoconcert in G!) onsterfelijk is. Beter laat dan nooit.