Dalende olieprijs zegen én vloek

Is de olieproductie zo hoog, of de olievraag zo laag?

Is er te veel olie op de wereld, of is er te weinig activiteit om het op te maken? Die vraag spookt op dit moment rond in de wereldeconomie. De prijs van Brent-olie stond vanmorgen op nog maar 52,55 dollar per vat. Amerikaanse olie, doorgaans wat goedkoper, is al onder de 50 dollar per vat gezakt.

De wereldwijde aandelenbeurzen verloren gisteren twee procent, naar beneden getrokken door koersdalingen van de grote energiebedrijven, en vanmorgen ging er nog eens een half procent van af. De zoektocht naar de reden voor de vallende olieprijs, die afgelopen zomer nog op 115 dollar stond, is essentieel. Het antwoord geeft aan of er gevierd moet worden, of gevreesd.

Stimulus

De gevolgen van goedkopere energie zijn groot. Het is goed voor de landen die olie consumeren. Christine Lagarde, topvrouw van het Internationaal Monetair Fonds zei in november nog dat de prijsdaling de wereldeconomie een prikkel geeft ter waarde van zo’n 500 miljard dollar. Toen was de olieprijs 80 dollar.

De stimulus is inmiddels dus al twee maal zo groot. Voor olieproducenten is de ontwikkeling desastreus: van Rusland tot Venezuela, van de schaliesector in de VS tot het rijke Noorwegen. Alternatieve energie – van wind tot zonne-energie die juist van de grond komen – krijgt te maken met ongunstiger omstandigheden.

Maar waar ligt de oorzaak? Tot nu toe lijken de grote olieproducenten te gaan voor het behoud van inkomsten. De lagere prijs prikkelt hen nóg meer te gaan produceren om de dollarstroom op gang te houden.

Dat lijkt soms noodgedwongen, zoals in Rusland, soms uit vrije wil , zoals Saoedi-Arabië. Ali Al-Naimi, olieminister én voorzitter van olieproducerende landen verenigd in de OPEC, zei dat zijn land desnoods kan leven met een olieprijs van 20 dollar.

De hoge productie is maar één kant van de vergelijking. Het kennelijk wegvallen van de vraag naar olie is de andere. In de VS is de economische groei flink. Europa doet het slecht, maar beter dan een jaar geleden. En dus wordt voorzichtig gewezen naar de olifant in de kamer: China, dat wellicht een veel grotere economische vertraging doormaakt dan openbaar is.

Probleem van deflatie

Intussen verergert de dalende olieprijs het probleem van uiterst geringe inflatie waar een groot deel van de industriewereld mee kampt. Duitsland rapporteerde gisteren een inflatie van nog maar 0,1 procent. Morgen volgt de schatting voor de gehele eurozone, en de kans is groot dat daar voor het eerst sinds het eerste jaar van de financiële crisis deflatie wordt gerapporteerd: daling van de prijzen. Europa wordt daar deels voor gecompenseerd via de dalende koers van de euro, omdat het kapitaal nu wereldwijd stroomt naar de munt van de economie die wél goed presteert: de Amerikaanse dollar.

In de eurozone zorgt de dreiging van stagnatie en deflatie voor een vlucht van beleggers in staatsschuld van financieel stevige landen. Die trend wordt nu versterkt door de groeiende onzekerheid over Griekenland. En door de verwachting dat de Europese Centrale Bank met een radicaal geldbeleid de dreigende deflatie te lijf zal willen gaan.

De koers van de Duitse staatsschuld stijgt daardoor van record naar record, en ook die van de Nederlandse. Omdat de effectieve rente op staatsschuld omgekeerd beweegt ten opzichte van de koers, daalt die rente. Wie nu voor tien jaar belegt in Nederlandse staatsobligaties krijgt daar nog maar 0,61 procent per jaar voor. Dat is ongekend laag, en baart zorgen over de dekking van Nederlandse pensioenfondsen.

In een wereldeconomie die steeds meer begint te lijken op Alice in Wonderland, waar onder boven is en links rechts, kan het zo maar gebeuren dat een dalende olieprijs voor het eerst in de geschiedenis wordt beschouwd als een vloek.