1 euro = 1,19 dollar. Wat betekent dat?

De euro staat op het laagste niveau sinds 2006. Voor de economie is dat gunstig: Europese producten worden goedkoper in het buitenland. Er zijn drie redenen.

Een nadeel van de goedkope euro: een reisje naar New York is er een stuk duurder door geworden. Foto AFP
Een nadeel van de goedkope euro: een reisje naar New York is er een stuk duurder door geworden. Foto AFP

Gunstig voor de economie, jammer voor shopping-vakanties in New York: de koers van de euro tegenover de Amerikaanse dollar is gisteren gezakt naar het laagste niveau sinds begin 2006. De munt schommelde rond 1,19 dollar per euro. In mei vorig jaar stond de euro nog op bijna 1,40 dollar.

De daling geeft de Europese economie per saldo de wind in de rug, vooral omdat de exportpositie erdoor verbetert: Europese producten worden goedkoper in het buitenland, met name in de Verenigde Staten en landen die hun munt aan de dollar hebben gekoppeld.

Het gebruikelijke nadeel, hogere invoerprijzen en dus een hogere inflatie, is ditmaal geen probleem. Integendeel: de landen van de eurozone kunnen die hogere inflatie juist goed gebruiken.

In november stegen de prijzen gemiddeld met slechts 0,3 procent ten opzichte van een jaar eerder. De verwachting is dat er in december zelfs een lichte deflatie is opgetreden. Lage inflatie of deflatie zijn mogelijk gevaarlijk voor de economie. De Europese Centrale Bank (ECB) zinspeelt juist op maatregelen om de inflatie weer omhoog te krijgen. Dat streven krijgt nu hulp van de dalende euro.

De daling van de Europese munt is aan drie factoren toe te schrijven. Als eerste verwachten beleggers dat de ECB dit jaar overgaat tot een agressiever monetair beleid om de inflatie aan te jagen. Daarbij zou zij meer euro’s in omloop brengen, door staatsleningen van eurolanden op te kopen. De Amerikaanse centrale bank voerde dit beleid de afgelopen jaren al, maar is daar nu juist mee gestopt.

De ECB overweegt bovendien de rente te verhogen. Het renteverschil tussen Europese en Amerikaanse staatsleningen is het afgelopen jaar dan ook flink opgelopen ten nadele van de euro. In de VS bedraagt deze rente nu 2,1 procent, in Duitsland nog maar 0,5 procent. Op Amerikaanse leningen krijgen beleggers meer rente. Dat maakt de dollar aantrekkelijker.

Op 22 januari is de eerstvolgende vergadering van de ECB, waaruit beleggers hopen meer aanwijzingen te krijgen over de vraag of en wanneer tot het nieuwe opkoopbeleid wordt overgegaan. De verdeeldheid binnen de ECB is overigens groot. Met name Duitsland heeft grote bedenkingen, samen met Nederland en een paar andere noordelijke landen, maar zij zijn in de minderheid.

Griekse verkiezingen spelen een rol

Tweede factor zijn de Griekse verkiezingen, die op 25 januari plaatsvinden. Beleggers vrezen winst voor het linkse Syriza-blok. Dat stelt zich teweer tegen de zware bezuinigingen en hervormingen die Griekenland moet doorvoeren in ruil voor de financiële steun van de rest van Europa en het Internationaal Monetair Fonds, die het land sinds vijf jaar geniet. Een zege voor Syriza zou speculatie kunnen losmaken over een Grieks vertrek uit de euro en zou zo de zojuist bezworen eurocrisis kunnen doen oplaaien. Dat risico maakt de euro minder gevraagd.

Net als de kracht van de dollar

De derde factor is de kracht van de Amerikaanse dollar zelf. Die stijgt niet alleen ten opzichte van de euro maar ook tegenover de munten van tal van andere landen – vooral van de grondstoffenexporteurs. Van de Australische dollar tot de Noorse kroon: veel munten verzwakken de laatste tijd ten opzichte van de dollar.

Valutakoersen zijn onvoorspelbaar. Maar als de euro in dit tempo doorzakt, lijkt het een kwestie van dagen voordat de 1,17 dollar per euro wordt bereikt. Dat was de koers waarop de euro in 1999 zijn bestaan begon. De volgende memorabele wisselkoers is nog ver weg: dat is de zogenoemde ‘pariteit’, waarbij één euro precies één dollar waard is. Dat was van begin 2000 tot halverwege 2002 het geval, maar is sindsdien nooit meer voorgekomen.