Opinie

De vergeten vraag naar het goede leven

‘Alsof er een truck tegen je aanrijdt, steeds weer zijn bumper tegen je lijf. En wanneer je eenmaal gaat liggen, kom je niet meer overeind.” Ik herkende het gevoel zo’n beetje van Nieuwjaarsdag, maar Kim had het over iets anders: een burn-out. 27 jaar en te hard gewerkt, vooral te veel van alles tegelijk.

Het is gemakkelijk om lacherig te doen over de radicale vermoeidheid van iemand die net een kwart eeuw oud is, maar feit blijft dat je het overal ziet: twintigers met burn-outs.

De Belgische krant De Morgen publiceerde een brief van een jonge moeder (26) die in deeltijd werkt. Zij reageerde op een opiniestuk dat eerder in de krant had gestaan, waarin Famke Robberechts betoogde dat moeders gewoon voltijds kunnen werken. Ruth, de jonge moeder, student ook, redt dat niet en voelt zich schuldig, juist door vrouwen als Robberechts. De crux van haar probleem schuilt natuurlijk in deze zin: ‘Wat hebben mijn zoon, mijn man en mijn vrienden aan een Ruth die altijd moe is?’ Ruth denkt alleen aan Ruth vanuit anderen.

Haar stuk gaat niet over vrouwen of moederschap, het gaat over tijdgebrek.

En vooral over de vergeten vraag naar het goede leven. Wanneer is die vraag ondergesneeuwd geraakt in het geraas van het dagelijks leven? De klassieke denkers die we nu nog lezen wanneer we over het goede leven filosoferen, waren mannen voor wie het dagelijkse werd verzorgd (door slaven, door vrouwen). Tijd is wat je krijgt wanneer je anderen uitbuit. Inmiddels is tijd vooral ook iets wat je graag opgeeft, wanneer je genoeg verdient. Nullen op een bankafschrift geven ook een gevoel van vrijheid. Het oncomfortabele waarvoor je betaald krijgt is te dragen, omdat geld als een objectieve maatstaf van waardering geldt.

In Volkskrant Magazine staat elk weekend een stel of gezin dat zijn woning laat zien. Deze zaterdag werden twee kunstverzamelaars en hun drie kinderen geportretteerd. Ze wonen in een oude fabriek in Gent. Twee jaar lang sliepen ze in tenten terwijl ze het pand muurtje voor muurtje opbouwden. Het is hun derde huis en ze willen alweer weg, want ‘bewoonbaar is saai’. Over de originele houten vloer zeggen ze: ‘Je krijgt er gruwelijke splinters van, maar hij is prachtig.’

Zodra het oncomfortabele gekozen is, wordt het een trofee. Een beetje zoals je een dure spijkerbroek met gaten of slijtageplekken koopt. Wie voor ellende kiest, is rijk.

Wanneer Kim hele dagen in bed ligt, is dat wat anders dan de zorgeloze rechtenstudent wiens lening doorloopt terwijl hij te katerig is om op te staan.

Maar wie wil ziet geen verschil.