Op naar Polen, waar je klassieke bak nog wél welkom is

Nederlandse eigenaren van oldtimers gaan graag in op de aanbiedingen die buitenlandse kopers doen, want hier zijn de auto’s niets meer waard. Thomas Rueb reed mee, naar Polen, met een emigrerende Mercedes uit ’79.

Er zitten winterbanden onder. Er zitten winterbanden onder. Er zitten winterbanden onder.

Als een zilveren kogel schiet hij over de besneeuwde Poolse wegen. Een Mercedes W123 230 Coupé, bouwjaar 1979. Achter het stuur: Andrzej Telak (56), de koper. Bijrijder: David van Dam (35), fotograaf en verkoper. Achterin: ikzelf.

Het is stikdonker. Telak rijdt zo dicht mogelijk op de 140 kilometer per uur. Scheelt tijd. „Ach, zolang je onder de 160 blijft, dan maakt het de Poolse politie allemaal niets uit”, sust hij ons. Hij heeft één hand aan het stuur, met de ander houdt hij zijn telefoon tegen zijn oor gedrukt. De auto gromt en schudt. „Ik ben er al die jaren nooit harder dan 120 mee gegaan”, verzucht Van Dam. In de koplampen licht de sneeuwval op als witte rook.

Maar je moet weten: er zitten winterbanden onder, er zitten winterbanden onder.

Vijftien uur eerder, om acht uur ’s ochtends, begint de rit in Den Haag. Twee Polen zitten aan Van Dams eettafel: Andrzej Telak en zijn contactpersoon in Nederland, die ook Andrzej heet. Ze drinken koffie.

Op een A4’tje stelt Van Dam een handgeschreven koopcontract op. Hij gaat zijn klassieke Mercedes van de hand doen.

Van Dam kocht hem drie jaar terug. Voor 5.000 euro, „een behoorlijk goede deal”. Hij liet hem voor zo’n 3.000 euro opknappen. De prijs die hij nu onderaan het A4’tje krast: 1.200 euro. Telak tekent gretig. Hij betaalt in honderdjes.

De oldtimermarkt in Nederland is ingestort. Op de kop af een jaar geleden, op 1 januari 2014, is de regeling afgeschaft die ervoor zorgde dat je geen wegenbelasting hoefde te betalen over oldtimers, auto’s die ouder zijn dan 25 jaar. Alleen de superoudjes, auto’s ouder dan 40 jaar, zijn nu nog vrijgesteld.

Een oldtimer in goede staat was geld waard omdát hij oud was, nu krijg je ’m om diezelfde reden aan de straatstenen niet kwijt – in Nederland dan.

Het gevolg: klassieke bakken, zoals de Mercedes van Van Dam, verdwijnen massaal naar het buitenland. Het afgelopen jaar werden 20.309 oldtimers geëxporteerd, zo blijkt uit cijfers van informatiecentrum VWE. Dat is 44 procent meer dan in 2013, en meer dan drie keer zoveel als in 2012, toen de maatregel nog niet was aangekondigd.

De populairste exportbestemmingen, naast Polen, zijn Duitsland, België en Marokko: landen waar zo’n ouwe bak nog wel voordelig rijdt.

Het is zijn zesde oldtimer

Andrzej Telak communiceert in een potpourri van Pools, Duits, Engels, Nederlands en drukke handgebaren. Wat wil hij eigenlijk met deze Mercedes? „Voor de collectie”, weet hij duidelijk te maken. Telak is handelaar in auto’s en antiek, maar deze bak is helemaal voor hemzelf, zegt hij. Het is zijn zesde oldtimer, ze zijn allemaal afkomstig uit Nederland.

Een auto naar Polen zien te krijgen is niet een kwestie van alleen maar rijden. Het begin van de dag is een administratieve klucht. In de notendop: om een auto te kunnen overschrijven naar een buitenlandse eigenaar is een speciale code van kentekenregistratie RDW nodig. Die code kan alléén per brief worden opgestuurd: dat kost drie werkdagen.

We zijn gestuurd naar adressen in Den Haag, Zoetermeer en Apeldoorn voordat we erachterkomen dat het vandaag gewoon niet gaat werken. Maar Telak is nu speciaal naar Nederland gevlogen.

Het enige alternatief: naar Polen rijden, de nummerplaten vanaf daar laten opsturen en het later regelen. Van Dam besluit Telak te vertrouwen. Op naar Polen, met drie uur vertraging.

David van Dam is geen verzamelaar. Voor hem was zijn oude Mercedes vooral een voordelige manier om in een verdomd stoere auto te kunnen rijden. Hij neemt zijn verlies wel, kocht een Volvo. Nee, het zijn de hobbyisten, de mensen die een oude auto in de garage hebben staan om er een paar keer per jaar in te toeren, die echt balen.

Hoe vervuilender een auto is, hoe meer belasting je erover betaalt. Oldtimers staan niet bepaald bekend om hun zuinigheid: je bent er zo een paar honderd euro per maand aan belasting over kwijt. Best veel voor die paar tochtjes.

„Dan betaal je zoveel per kilometer dat je net zo goed de taxi kunt nemen”, zegt Mario Peperkamp van Historische Automobiel Vereniging (HAV). „Mensen kunnen klassiek rijden zo niet meer betalen.”

Voor auto’s tussen de 25 en 40 jaar die op benzine rijden is er nog een overgangsregeling: je kunt ervoor kiezen slechts een kwart wegenbelasting te betalen, op voorwaarde dat je je auto drie maanden per jaar niet gebruikt (speciaal voor de hobbyisten). Maar als je een oude diesel- of gasbak hebt staan, dan betaal je altijd de volle mep. Dat drukt de waarde.

„Mensen met een auto die een paar jaar geleden nog duizenden euro’s waard was, weten hem nu met geen mogelijkheid te verkopen”, zegt Peperkamp. „Nou ja, ze krijgen wel constant briefjes van buitenlanders onder hun ruitenwissers geschoven. Die willen hem wél. Daar zwichten ze dan uiteindelijk voor. Het is zonde. De klassieke auto verdwijnt zo uit Nederland.”

Het geluid van een zwoegende motor

Een Pool herkent andere Polen. Andrzej Telak maakt er een sport van op de Autobahn. Een vrouw in een Citroën met Nederlands kenteken: „Pool.”

Mannen in een Duitse Renault: „Pool.”

Een Polo: „Pool.”

De muziek wil hij niet aan. Liever het geluid van een zwoegende motor. Of dat van de telefoon aan zijn oor. De auto houdt zich kranig, maar trilt zo hevig dat je zenuwen constant worden geprikkeld.

Hoe verder we het oosten intrekken, hoe witter het landschap wordt. Voorbij de Poolse grens zakt de temperatuur naar -8. Op de achterbank tocht het.

Telak is tevreden met zijn aankoop, regelmatig tikt hij met zijn vuist op het dashboard. „Good car.”

Hij wijst lokale bezienswaardigheden aan. Bordelen, drankwinkels, een autoshop met het woord ‘Korekta’ in neonletters. Daar kun je je kilometerstand laten terugdraaien, vertelt hij. Handig voor als je een goede prijs voor je oude auto wil.

Hij rijdt een paar kilometer om voor zijn favoriete wegrestaurant: een doorrookte herberg tjokvol Nederlands antiek en met opgezet wild aan de muur. Telak bestelt: deegkussentjes met vlees erin, deegkussentjes met een ander soort vlees erin en soep met daarin deegkussentjes met vlees.

Afscheidsrit

Iets over enen is Wólka Somiankowska, zijn dorp even boven Warschau, in zicht. Telak heeft 13 uur bijna onafgebroken gereden. De dagteller is de 999 kilometer gepasseerd en weer bij 0 begonnen. 321 leest hij nu.

Hoe dichter we bij huis komen, des te harder hij op het gas trapt. „Moe?” Telak schudt zijn hoofd en steekt een sigaret op. „Je bent een machine, ein Maschine.” Hij grijnst. Dit is nog niets: toen zijn vader overleed reed hij eens in 10 uur van Lisse naar Warschau (da’s gemiddeld 130 kilometer per uur).

Thuis wacht mevrouw Telak met thee en cake. Een paar uur slapen in de logeerkamer, dan is het tijd om terug te vliegen.

Dit was het dan. Van Dam maakt nog een laatste foto van zijn auto in de sneeuw. Erg sentimenteel is hij er niet over. Een afscheidsrit zoals deze is een beetje als stoppen met roken door vijf pakjes achter elkaar op te zuigen: zoveel van het goede dat je er wel weer even genoeg van hebt.

En het helpt ook dat Telak een liefhebber is, niet (alleen) een handelaar. Hij bezweert hem niet te zullen verkopen.

Toch kan Van Dam het niet laten. „Zeg Andrzej, hoeveel zou mijn auto eigenlijk opleveren in Polen?” Telak lijkt zich wat ongemakkelijk te voelen bij de vraag. Van Dam stelde hem gerust. „Echt, het geeft niet, zeg maar gewoon.” Telaks stem daalt naar een wat confidentiële toon: „In deze staat? Zeker 6.000.” Zloty? Telak lacht en schudt zijn hoofd. „Euro’s, vriend.”