...Nee, met meer geld in de EU blijft deflatie uit

Het uitblijven van geldverruiming leidt tot veel leed en weinig hervormingen, aldus Melvyn Krauss.

illustratie luojie

De geslaagde campagne van de Bundesbank tegen de aankoop van staatsobligaties door de ECB (ter verruiming van de geldhoeveelheid – quantitative easing of QE), tot dusver gesteund door De Nederlandsche Bank, is een klassiek geval waarbij in eigen voet wordt geschoten.

De verhindering van QE was bedoeld om structurele en fiscale hervormingen af te dwingen bij de achterblijvers in de eurozone, zoals Italië en Frankrijk. Maar in werkelijkheid was het effect tegenovergesteld – in de landen die het hardst hervormingen nodig hadden, zijn ze vertraagd en heeft de bevolking haar toevlucht gezocht tot anti-Europese politieke partijen. Zoals Syriza in Griekenland.

Het afdwingen van bezuinigingen op de overheidsbegrotingen van Europese achterblijvers heeft teleurstellende resultaten gehad. Gestage daling van de inflatie en de dreigende deflatie in de eurozone heeft namelijk de reële rentelast van debiteuren op hun schulden verhoogd. Dat wil zeggen dat de belastingbetaler relatief meer rente op de overheidsobligaties moet betalen omdat de rente op die overheidsobligaties niet met de prijzen meedaalt.

Zo verdwijnt de winst van de hervormingen, vooral voor debiteuren die zwaar van buitenlandse geldschieters hebben geleend om de crisis te doorstaan. Waarom moeite doen als een stabiele begroting bij elke daling van het inflatiecijfer moeilijker wordt? Tegen de stroom in zwemmen ontmoedigt iedereen.

Dit is het morele risico om van Quantitative Easing af te zien. Het is te wijten aan de centrale bankiers van de landen die krediet verstrekken, want zij komen telkens weer met een excuus om geen doeltreffende maatregelen te nemen tegen aanhoudende neerwaartse druk op de prijzen.

Dat is beangstigend, want zodra de prijzen eenmaal echt gaan dalen, krijgt de consument een prikkel om zijn aankopen uit te stellen. Met als gevolg nog lagere prijzen en nog minder economische bedrijvigheid. Zoals de ervaring in Japan leert, kan het tientallen jaren vergen om een eenmaal ingezette deflatoire spiraal te keren.

Het jongste excuus waarmee de tegenstanders van verruiming van de geldhoeveelheid aankwamen, is dat het door de recente daling van de olieprijs overbodig is geworden. Dat is een lachertje, nu de inflatie in de eurozone door de dalende olieprijs naar verwachting de komende maanden negatieve waarden zal bereiken.

En ook al zou de groei in de EU op termijn van een lagere olieprijs moeten profiteren, voordat dat eenmaal invloed op aantrekkende prijzen heeft, is de gedaalde olieprijs ook op andere goederen overgeslagen. Waarmee het consumentengedrag negatief wordt beïnvloed en de deflatie onbeheersbaarder wordt.

Een studie van de Europese Centrale Bank laat zien dat hoe meer schuld een land heeft, des te groter de kans is dat dalende olieprijzen groeivertragend werken. De landen met de hoogste schulden zullen het hardste lijden.

Wat maken die tegenstanders van verruiming toch een anti-Europese indruk. In een systeem dat zogenaamd Europees is, heeft het alle schijn van een gok als centrale bankiers uit landen die kredieten verlenen en die dus baat bij een stijgende reële rente hebben, voorop gaan in de strijd tegen het enige wapen dat nog een ommekeer kan brengen in de verminderende inflatie en de dreigende deflatie. Dat is echt een belangenconflict.

Oorzaak is het verzuim van de ECB om streng de hand te houden aan de eigen inflatiedoelstelling van 2 procent. Dit geeft een zekere legitimiteit aan de argumenten van anti-bezuinigingspartijen als Syriza, die over Griekse schuldsanering willen onderhandelen. Als de reële schuldenlast stijgt doordat Europa een deflatoir gericht monetair beleid voert, is er iets voor te zeggen dat de schuldenlanden compensatie krijgen door een verlaging van de renteverplichtingen op hun schulden.

De uitblijvende verruiming heeft veel leed maar weinig hervormingen teweeggebracht. Verruiming zou daarentegen de inspanningen in de schuldenlanden voor een evenwicht in de begroting bevorderen, door ze voor te houden dat wie harder zijn best doet om zijn begrotingstekort op orde te krijgen, weer uit de narigheid kan komen. Er is licht aan het einde van de tunnel.

De Bundesbank en De Nederlandsche Bank zijn doodsbenauwd dat verruiming de toch al magere hervormingsinspanningen in de schuldenlanden nog verder zal verminderen. Die angst is misplaatst.