Kluizenaar in een holle eikeboom

Tot zijn 30ste maakte hij furore als toernooiridder. Na de dood van zijn vrouw veranderde Gerlachus van Houthem radicaal: hij werd asceet.

Niet de bisschop van Roermond, waar Limburg onder valt, maar die van Luik onthulde vanmorgen het gereconstrueerde hoofd van de heilige Gerlachus. Noem het een gebaar ter verontschuldiging. Een van de voorgangers van de Luikse bisschop liet, zo wil het verhaal, in de twaalfde eeuw de holle eik, woonplaats van de godvruchtige kluizenaar Gerlachus, omhakken. Volgens geruchten zou de ex-ridder veel geld onder die boom verbergen. Dat bleek niet het geval. Ook de bisschop van toen toonde berouw. Met het hout van de boom liet hij twee kluisjes bouwen: een, nauwelijks groter dan een doodskist, waar Gerlachus in kon wonen, en een iets groter kapelletje.

Op die plaats ontstond een klooster, dat tot de komst van de Fransen eind achttiende eeuw een religieuze functie hield. Vandaag is de buitenplaats in het Geuldal een luxueus hotel. In de schatkamer staat de zilveren reliekschrijn met schedel van Gerlachus. Zijn graf is in de naastgelegen barokkerk.

Zijn naam is versmolten met die van het dorp: Houthem-Sint Gerlach. Zonen van de inwoners kregen – zeker in het verleden – vaak zijn naam.

Maar wie was de rond 1120 geboren Gerlachus? Tot zijn dertigste moet hij vooral furore hebben gemaakt als toernooiridder, iemand die lichtzinnige genoegens najoeg. Toen zijn vrouw overleed gooide hij het roer om. Hij toog naar Rome en Jeruzalem waar hij zeven jaar het meest eenvoudige werk deed, zoals varkenshoeden. Daarna keerde hij terug naar Limburg, waar hij in Houthem in een holle eik als asceet leefde. Dagelijks wandelde hij blootsvoets naar het graf van Sint-Servaas in Maastricht.

De oorspronkelijke Vita van Gerlachus, de beschrijving van zijn leven, dateert uit 1225. Hij was toen al ruim zestig jaar dood. Dergelijke werken zijn verre van betrouwbaar. De term ‘hagiografie’ voor biografieën met een al te bewonderende toon is een ander woord voor de levensbeschrijvingen van heiligen. Veel elementen uit bijbelverhalen en andere heiligenlevens werden steeds opnieuw gebruikt.

Toch vallen sommige resultaten van recent onderzoek aardig samen met gegevens uit de Vita. Daarin staat dat hij „van grote lengte was geweest, schoon van aangezicht, met een lange baard neerhangend tot op zijn borst, breed van lichaam en sterk”.

Pelgrims naar het Geuldal

Onderzoek door een fysisch antropologe in 1990 wees uit dat de resten die in de kerk in Houthem werden vereerd inderdaad waren van een man die leefde rond de 12de eeuw. Die mat 1,77 meter, voor die tijd inderdaad fors, had brede schouders en sterke armspieren, en een holle onderrug – wellicht veroorzaakt door veel paardrijden.

In zijn holle eik wilde Gerlachus volgens de overlevering niets meer hebben van de geneugten uit zijn riddertijd. Een vrouwelijk familielid bakte brood, van gerst, vermengd met as van hout, voor hem. De man uit het graf in Houthem werd, bleek uit het onderzoek van de antropologe, circa veertig jaar – dat komt zo’n beetje overeen met de ouderdom uit de Vita – en volgde een sober dieet met vooral veel vis.

Bij en vooral ook na zijn dood trok Gerlachus veel pelgrims naar het Geuldal. Een aandenken aan de heilige was felbegeerd. Volgens de Vita trok een man zelfs een tand uit de schedel. Een jaar later kwam hij berouwvol terug. Als straf had God bij hem al zijn tanden uit laten vallen. In de bovenkaak van de schedel van Gerlachus zit in werkelijkheid nog één kies. Alle overige kiezen en tanden ontbreken. Volgens onderzoek zijn ze met geweld uitgetrokken. Mogelijk gingen sommige pelgrims ver om een eigen reliek te bemachtigen.

Na de secularisatie van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw kende de verering een terugval. De restauratie van kerk en landgoed en een jubileumjaar zorgden voor hernieuwde populariteit. Hotelier Camille Oostwegel, opgegroeid in het dorp: „Sinds 1990, de herdenking 825 jaar na de dood van Gerlachus, is er een jaarlijkse processie naar de Servaas in Maastricht en eens in de zeven jaar een naar Aken.”

Pastoor John Burger zegt dat ook het toenemende aantal veeziekten een rol speelde. Gerlachus is van oudsher de beschermheilige die de boeren aanroepen ter bescherming van hun veestapel.