Ik sta liever op het plein vóór de kerk

Theologe Jacobine Geel wil ontzenuwen dat zij dominee zou zijn. Dat vindt zij te veel eer. Maar dat zij van verhalen vertellen houdt, zal ze niet ontkennen.

illustratie enkeling

Een nieuw jaar is begonnen. Wat zou de dominee in jou de mensen willen meegeven?

„Zeg, begin jij nou ook meteen?!”

Wat bedoel je?

„De dominee in mij – dat ik dominee zou zijn is het meest hardnekkige misverstand dat over mij bestaat. Televisie-dominee zelfs, volgens sommigen.”

Maar je preekt toch af en toe? Voor mij ben je dan een dominee.

„En niet alleen voor jou. Ik vind het te veel eer. Een dominee is wat mij betreft verbonden aan een kerkelijke gemeente en met heel wat meer dingen druk dan preken. Ik ben gewoon een theoloog die zo nu en dan graag een verhaal houdt. Soms in een kerk, maar veel vaker daarbuiten.”

Niet zomaar verhalen. Ik heb me voor dit gesprek echt wel een beetje in je verdiept. Je probeert mensen altijd ook iets mee te geven: troost, verdieping en soms een draai om hun oren. Ik noem die soort verhalen preken en dus vermoed ik een dominee in jou.

„Touché. Ik reageer misschien vooral geprikkeld op de suggestie van ‘te gemakkelijk’ die aan het beeld van een dominee kleeft, van branden die geblust worden met praatjes voor de vaak. Vergezichten zijn mooi, maar wat mij betreft alleen als ze geworteld zijn in een grondige analyse van de feiten. En daar desnoods door getemperd worden. Er moet weerbarstigheid aan worden toegevoegd. En die is te vinden in de werkelijkheid buiten de kerk. Juist daarom heb ik er indertijd voor gekozen om géén dominee te worden. Ik voel me meer in mijn element op het plein vóór de kerk, in de wereld. Maar daar ben ik er vervolgens natuurlijk wel op uit iets toe te voegen, betekenis te verlenen zo je wilt. Touché, dus…”

Genoeg over de kerk. Maar op die verhalen ga ik graag nog even door. Want 2014 moet voor jou toch zeker ook het jaar van het verhaal geweest zijn.

„Je doelt nu, neem ik aan, op mijn bijdrage aan de herdenking van de ramp met de MH17?”

Die bedoel ik. Bijzonder?

„Ja. Om te beginnen vanwege het verzoek om te spreken. Strikt genomen had ik bij die herdenking niets te zoeken. In de kring van mijn dierbaren was geen gat geslagen. En ik was, en ben, niet verantwoordelijk voor de afwikkeling van wat er met het toestel gebeurde, niet politiek en niet op een andere manier. En toch was er toen het verzoek kwam de onmiddellijke intuïtie dat dit ‘de bedoeling’ was. Hoe leg ik dat nou uit? Alsof ik even precies op het snijpunt stond van bestemming en realiteit. Te groot om zelf te veroorzaken, iets wat je toevalt. Geen trots dus ook, maar eerder dankbaarheid en een besef van dienstbaarheid. Het ging niet om mij. Het maken van het verhaal was daarom ook geen prestatie – al was het natuurlijk een hele klus.

„Minstens zo bijzonder was dat veel mensen mijn verhaal ook echt hebben ervaren als een aanvulling op alles wat er tijdens die bijeenkomst al heel indringend werd gezegd, door nabestaanden en door de premier. Terwijl ik, als ik eerlijk ben, dat wat vooraf zo vanzelfsprekend leek achteraf ineens heel spannend vond. Want wie was ik dat ik daar een loopplank kon leggen van de dood naar het leven, van het gat dat geslagen was naar de gedachte dat je met het verdriet niet de verbondenheid prijsgeeft? En toch stond ik daar.”

Wat blijft je bij?

„Het gloeiende hart van bloemen en licht, waarvan iedereen na afloop een stukje mee naar huis kon nemen. Als beste en natuurlijk ook enige alternatief voor daar te blijven. Het noemen van de namen. De veelheid ervan, maar ook hoe betekenisvol het was. Wie genoemd werd wás er, zei ik. En zo voelde het inderdaad. Maar onvergetelijk vond ik ook het ritme van de hele bijeenkomst, en die intieme kring van zoveel duizenden mensen, zonder rangorde of hiërarchie. Als je leven een chaos is, kan vormgeving heel troostend zijn, realiseerde ik me toen weer eens.”

Wat je die middag stond te doen, zou je dat ook een vorm van geestelijke gezondheidszorg noemen?

„Grappig dat je dat vraagt! Ik kreeg de dag erna een mailtje van een psychiater die me bedankte voor mijn woorden en afsloot met: ‘…wellicht niet officieel, maar ook dit is (positieve) ggz’. En ‘dit’ was voor hem: kunnen rouwen en daarin iets betekenen. Ik werd er heel vrolijk van dat hij zo’n verband legde. Natuurlijk gaat het in de GGZ en helemaal in het werk van een branchevoorzitter vaak over organisatievragen en bekostigingssystemen. Maar het is zeker ook zo dat die kwesties ons soms het zicht benemen op waar het in de geestelijke gezondheidszorg nou eigenlijk om gaat. En wat de maatschappelijke waarde ervan is. Mensen helpen een weg te vinden met hun verdriet zou weleens heel dicht bij die eigenlijke bedoeling in de buurt kunnen komen.”

En waar werd je nou precies vrolijk van?

„Van de kanteling van perspectief. Ik houd daarvan. Het is een van de redenen dat ik me graag in verschillende omgevingen beweeg, ook wat werk betreft. Maar ik werd zeker ook vrolijk van het feit dat deze psychiater in mij iets van dat andere perspectief en de waarde daarvan voor de ggz herkende.

„Toen ik anderhalf jaar geleden als voorzitter van de GGZ begon, betrad ik een voor mij nieuwe werkelijkheid. Omdat ik de sector niet van binnenuit kende en ook omdat dit type bestuursfunctie – branchevoorzitter – nieuw was. In de eerste periode ben ik niet alleen bezig geweest mijn werk te doen, maar toch vooral om wegwijs te worden in de veelheid van mensen, instellingen, beleidsterreinen en bestuursakkoorden die de dynamiek bepalen. Inmiddels verdwaal ik niet meer, en begin ik te zien wat misschien wel de lastigste opdracht is waar de sector voor staat: een betrouwbare partner te zijn als het gaat om de uitvoering van de bestuurlijke akkoorden, maar tegelijkertijd trouw te blijven aan haar eigen bedoeling. Dat vraagt om hernieuwd zelfbewustzijn en een heldere en liefst ook gezamenlijk gedragen opvatting over de eigen toegevoegde waarde – voor patiënten en cliënten, én voor de samenleving. Wat ik daar als voorzitter in ieder geval aan kan bijdragen is het gesprek erover agenderen. Nou ja, as we speak, eigenlijk…”

Mag ik nog één keer een poging wagen je een wens voor het nieuwe jaar te ontfutselen? En kies zelf dan maar of je de dominee of de bestuurder in jou aan het woord laat…

„In mijn eerste tweet van dit jaar wenste ik iedereen een mooie mix van positieve en kritische zin. Die staat, maar is wel een beetje bestuurlijk van toon. Laat ik er, gewoon als mezelf, aan toevoegen wat ik ooit ergens las en wat mij betreft iedere dag de moeite van het proberen waard is. Vrij vertaald:

Het leven is kort,

zet de regels soms naar je hand,

vergeef vlug,

zoen langzaam,

heb oprecht lief,

huil van het lachen,

en betreur nooit wat je een glimlach ontlokte.”