Gillende keukenmeiden

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

De keukenmeid trekt een kastje open en begint ijselijk te gillen. Een muis! Ze is nergens bang voor, onze Saartje, behalve voor muizen.

Of: de meid loopt de keuken binnen en voor haar voeten sprint een muis weg. Gillend springt zij op de keukentafel, bezem in de hand.

Zonder twijfel danken de rotjes die wij gillende keukenmeiden noemen, hun naam aan dit beeld. En zonder twijfel zijn er keukenmeiden met een muizenfobie geweest, maar dat moet behoorlijk uitzonderlijk zijn geweest. Een keukenmeid met muizenangst kon beter ander werk gaan zoeken, want in vrijwel alle keukens trof je weleens muizen aan. Dat is nu nog het geval – met de huidige hygiëne.

Sinds wanneer kennen wij de vuurwerknaam gillende keukenmeiden? Sinds de jaren dertig van de twintigste eeuw. Er waren toen nog wel keukenmeiden, maar de meeste mensen konden zich indertijd geen dienstbodes meer veroorloven, laat staan dagelijkse hulp in de keuken.

De gillende keukenmeid is een clichébeeld dat weinig recht doet aan de professionaliteit van deze beroepsgroep. Met name in de 18de en 19de eeuw verschenen er allerlei naslagwerken voor keukenmeiden. Een bekende bestseller is De volmaakte Hollandsche keukenmeid, een naslagwerk uit 1746 dat zeker twaalf drukken beleefde en allerlei navolgers kreeg. Er waren zelfs woordenboeken voor keukenmeiden – ze lazen beslist meer dan alleen keukenmeidenromans. Zo verscheen in 1791 het Volkoomen Neerlandsch kookkundig woordenboek voorgesteld in de Friesche keukenmeid en in 1853 Daatje’s woordenboek voor de keuken: alphabetische handleiding voor jonge vrouwen, huishoudsters, koks en keukenmeiden.

Vuurwerk is nu alleen nog met Oud en Nieuw te koop, maar lang waren er geen kooprestricties. Bovendien mocht je ook op andere feestdagen vuurwerk afsteken, bijvoorbeeld op Koninginnedag en Hartjesdag.

Hartjesdag was een carnavalesk verkleedfeest in Noord-Holland, op de derde maandag van augustus, waarbij heel veel vuurwerk werd afgestoken. Officieel werd dat op een gegeven moment verboden – er stond 14 dagen gevangenisstraf op – maar de jeugd trok zich daar niks van aan. In augustus 1932 moest een raadsvergadering over Hartjesdag in Zandvoort worden afgebroken omdat honderden jongeren voor het raadshuis vuurwerk afstaken. „De gillende ‘keukenmeiden’ deden opgeld”, meldde het dagblad De Tijd, „hoewel dit vuurwerk niet zoo onschuldig is, om den eerenaam van onze schrikkende gedienstigen te mogen dragen.”

Vooral de Dapperbuurt in Amsterdam stond op Hartjesdag volledig op z’n kop. „Het lijkt of het vuurwerk ieder jaar zwaarder wordt”, schreef De Tijd in augustus 1937. „De onschuldige voetzoekers van tien jaar geleden zijn vervangen door ‘gillende keukenmeiden’ en zware bommen, die, wanneer men ze op zijn hoofddeksel of jas krijgt, een flink gat achterlaten.”

De Amsterdamse politie werd in 1937 met klinkers bekogeld. „Herhaaldelijk moest worden gechargeerd”, meldde een krant, waarbij drie raddraaiers door „sabelhouwen” werden gewond – zo ging dat toen.

Een jaar later, in 1938, liep Hartjesdag minder uit de hand – de brandweer hoefde ‘slechts’ 47 straatbranden te blussen. „Hartjesdag was dit jaar minder kwaadaardig”, kopte het Algemeen Handelsblad. Maar ook toen werd er weer massaal vuurwerk afgestoken. „De gillende keukenmeid”, aldus het Handelsblad, „vierde gisteravond in de hoofdstad hoogtijdag.”