Eindelijk weer genieten

Hij was vier jaar bondscoach van de Nederlandse hockeyers en bereikte verrassend een olympische en WK-finale – vooral die laatste zou hij misschien liever vergeten. Nu hij weg is, heeft hij weer plezier in hockey.

Paul van Ass heeft zijn „hobby weer terug” nu hij gestopt is als hockeybondscoach. Foto Andreas Terlaak
Paul van Ass heeft zijn „hobby weer terug” nu hij gestopt is als hockeybondscoach. Foto Andreas Terlaak

Eén opmerking wil hij vooraf graag maken. „Laten we het niet alléén hebben over die WK-finale in Den Haag. Er is zoveel meer gebeurd in mijn periode als bondscoach.”

Vier jaar lang was Paul van Ass (54) verantwoordelijk voor de Nederlandse hockeyers. Een half jaar na het WK in eigen land, dat eindigde met dat verschrikkelijke pak slaag tegen Australië (6-1), kijkt hij thuis in Bergschenhoek nog eens achterom. „Het is geen weggegooide tijd geweest, voor niemand. Driemaal brons, vijf keer zilver en één keer goud”, somt hij op. „In 2009 waren we vierde op de wereldranglijst, 1.700 punten achter Australië. Voor de WK-finale in Den Haag stonden we tweede, op 50 punten. Bij winst waren we ze gepasseerd.”

Als opvolger van Michel van den Heuvel begon Van Ass in 2010 als de bondscoach-zonder-trainersdiploma’s, de man die het avontuur wil terugbrengen in het Nederlandse hockey. Weg met het saaie, risicoloze hockey – doelpunten wilde hij zien, aanvallend hockey. Elke wedstrijd vijf keer scoren, dat was het uitgangspunt. Het publiek moest ook worden geamuseerd. Daarnaast wilde hij Nederland, na al die jaren in de schaduw van Duitsland en Australië, naar goud leiden.

Olympische finale in Londen

In Londen (2012) bereikte Van Ass tegen alle verwachtingen de olympische finale, met soms zeer attractief hockey, zoals in die beruchte halve finale tegen Groot-Brittannië (9-2). „De Spelen waren fantastisch, zowel qua spel als prestatie. Maar we gingen er in de finale op een rare manier af tegen Duitsland. Zilver met een goud randje, maar het deed mij wel pijn.”

Het toernooi bood wel perspectief voor ‘Den Haag’, zijn tweede grote klus. De aanloop was wisselvallig: op het EK in Boom was Nederland kansloos tegen Duitsland, het frisse, vrolijke spel van Londen leek alweer vergeten.

Afgrijselijk incident

Hij kreeg te maken met het afgrijselijke incident waarbij zijn zoon Seve tien tanden kwijtraakte door een onbesuisde actie van collega-international Valentin Verga. Het was toch al zo’n uitdaging: bondscoach en vader zijn van een potentiële international. „Voor Seve was het moeilijker dan voor mij”, zegt hij. „Ik heb hem niet meegenomen naar Londen omdat ik hem nog net niet klaar vond. Na het tandenincident wist ik meteen dat ze allebei weer in het Nederlands elftal moesten spelen. Seve heeft veel meer veerkracht moeten tonen dan ik. Hij was het slachtoffer, hij heeft geen tanden meer. Daar heb ik ook veel respect voor gekregen.”

Van Ass wilde Verga niet straffen. „Het gebeurt, het is niet mooi. Maar er zijn instanties die de strafmaat bepalen. Ik heb Vali meegenomen op trainingskamp in Spanje, waar we veel hebben gesproken, ook met het team.” Voor het groepsproces ging Verga een jaar geleden ook mee naar New Delhi, waar de ploeg de Hockey World League won. Van Ass: „We wonnen daar twee keer van Australië, we wonnen van Duitsland, het goede spel van de Spelen was weer een beetje terug. Het gaf me een goed gevoel.”

Veertien jaar na het olympisch goud van Sydney (2000) en zestien jaar na de wereldtitel in Utrecht (1998), moest het in Den Haag dus gaan gebeuren. De sfeer kon niet beter, met een volgepakt stadion, goed weer en een droomfinale tegen Australië. Sportliefhebbers in Nederland verkeerden in een zomerroes: op het WK voetbal in Brazilië had Oranje die vrijdag wereldkampioen Spanje met 5-1 verslagen, op zaterdag wonnen de hockeyvrouwen hun WK-finale.

Maar de zondag werd één van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van het Nederlandse hockey; de ploeg kreeg alle hoeken van het veld te zien en het werd liefst 6-1. Van Ass was aangeslagen. „Ja, zeker. Ik had nog nooit met zulke cijfers verloren.” Vooraf had hij er bij zijn spelers op gehamerd moedig te spelen tegen de fysiek sterke Australiërs. „Duels winnen, daar ging het om. Maar zij wonnen alle duels, zelfs één tegen drie. We stonden er wel, maar we deden niks. Als ik wist hoe dat kon zou ik een boekje schrijven. Ik ben geschrokken, ja.”

Achteraf heeft hij wel een verklaring. „Uiteindelijk waren we niet meer helemaal fris”, zegt Van Ass. Volgens hem hockeyden zijn spelers te lang door in de nationale competitie en de Euro Hockey League. „Je had twee pieken in april – en vijf weken later begon het WK. Dat kan gewoon niet. Dat is te kort. En daar hebben we een prijs voor betaald. De spelers waren op. En dat op je eigen toernooi: dat vind ik wel heel jammer.”

Gemiste kans

Van Ass verwijt zichzelf nu dat hij zich van tevoren niet harder heeft opgesteld bij de bond en bij de clubs. „Ik had harder met mijn vuist op tafel moeten slaan. Voor de Spelen in Londen was dat anders: toen hadden we tweeënhalve maand voorbereiding. En de spelers trainden in de maanden daarvoor ook al voor 70 procent bij mij. Daarvan zeiden de clubs: daar zijn we één keer ingestonken, dat doen we niet meer. Dat zie ik als een gemiste kans.”

Een nieuwe krijgt hij niet meer, beseft hij. „Maar het gaat om de totale bereidheid om zo’n jaar anders in te delen, ook van de clubs en de KNHB. De bond had moeten zeggen: sorry jongens, het is ons WK, eind maart is de competitie voorbij. We doen te veel concessies met z’n allen. Het Nederlands elftal heeft daar een te hoge prijs voor betaald.” Waarom sloeg Van Ass dan niet met zijn vuist op tafel? „Weet je wat het is? Je denkt: ik bedenk wel een list, ik kom er wel mee weg. Mijn list was dat we meteen na de EHL-finale een week naar Valencia zijn gegaan. Maar vijf weken blijft te kort.”

Maar de hockeyers kwamen onder Van Ass dichter bij het goud dan in jaren. Hij denkt dat de huidige generatie er goed genoeg voor is. „Ik hoop echt dat ze het in Rio afmaken. Als we het ze mogelijk maken, gebeurt het een keer. Er is te veel kwaliteit. Wij doen totaal niet onder voor Australië, ook al zijn ze nu terecht de nummer één van de wereld.”

Als het aan hem ligt gaat zijn opvolger Max Caldas niet sleutelen aan de basis van het Nederlandse hockey, die volgens Van Ass zit in de uitzonderlijke techniek. „Dan maakt je mentaliteit niet zo’n verschil. Natuurlijk moet je hard werken, fit zijn. Dan kun je winnen omdat je beter bent. Ik zou het zonde vinden als wij van die kwaliteitsgedachte af gaan en nu zeggen: we zetten wat bomen op het veld om wat beuken uit te delen. Dat vind ik niks. Australië is goed, Duitsland is goed, maar wij hebben de beste skills. Daar blijf ik bij.”

Van Ass grijnst. Hij geniet weer van het hockey. Op zondagmiddag even kijken bij HC Rotterdam, naar zijn zoon Seve, vlak achter hun huis. Of op tv naar de Champions Trophy, vorige maand in India. „Ik heb alle wedstrijden gezien. Ik heb mijn hobby weer terug.” Dat plezier was hij de laatste jaren kwijtgeraakt. „Het was echt werk geworden. Elke zondag op die clubs, al die spanning wie wel en niet speelt. Je kunt niet veel zeggen, dus ga je snel weer naar huis. Nu geniet ik weer van het spel. En ik drink weer een biertje na afloop.”