Nederlandse onderzoeker luistert naar Henk en Ingrid

In zijn column Een huis in verval (NRC, 27 december) waarschuwt Piet Borst voor de gevolgen van het huidige hoger onderwijsbeleid. Natuurlijk is er altijd te weinig geld en we moeten ons pas echte zorgen gaan maken wanneer we meer geld hebben dan ideeën.

Borst signaleert wel terecht dat Nederland niet meer aantrekkelijk is voor aanstormend wetenschappelijk talent. Door stom toeval was ik betrokken bij een academische stoelendans die dit punt haarscherp illus- treert: de aanstelling van een assistant professor aan de University of California, Berkeley (VS) en EPFL (Lausanne, Zwitserland) en een universitair docent in Delft.

Drie onderzoeksposities van vergelijkbaar niveau. Het verschil? De twee assistant professors in Berkeley en Lausanne krijgen bij hun aanstelling een bruidsschat om hun eigen groep te starten; om te kunnen concurreren met de wereldtop moet deze bruidsschat minstens voldoende zijn om een volkomen nieuw laboratorium in te richten. Dat komt neer op meer dan een miljoen dollar vrij te besteden voor een spiksplinternieuw lab en je eigen groep! Leve de academische vrijheid, maar dan moeten ze wel in vijf jaar laten zien dat ze tot de wereldtop behoren in het onderzoek van hun keuze.

En de universitair docent in Delft? In Nederland heeft een universitair docent geen promotierecht, dus hij krijgt geen eigen groep maar wordt letterlijk de assistent van de hoogleraar. En zijn bruidsschat? Dat is een jachtvergunning: permissie om bij NWO op geld te jagen. Vroeger deed hij dit om mee te kunnen doen met de wereldtop, maar nu doet hij dat om onderzoek te doen dat Henk en Ingrid voor hem hebben uitgekozen.

, Chancellor’s Professor of Chemical Engineering (University of California)