We zadelen ons nageslacht op met een generatievloek

Ons nageslacht krijgt de schillen en dozen van potverteren. ‘Sorry kids, we ate it all’. Het aardgas raakt op, broeikasgas blijft hangen. We moeten meer over hebben voor komende generaties ook die na de volgende, meent Herman Vuijsje.

Foto´s Thinkstock / Fotobewerking NRC Fotodienst

Soms wordt beweerd dat we in onze post-ideologische samenleving alles in economische termen zien. Dat we het vermogen verloren hebben in iets anders te geloven dan direct eigenbelang. Dat is niet waar. Na het sneuvelen van de ‘grote verhalen’ koesteren we één goed als onaantastbaar. Al onze zorgzaamheid, al onze hoop, hebben we daarin gestoken: onze kinderen. Wie ook maar een vinger dreigt uit te steken naar een kind, roept een oudtestamentische volkswoede over zich af.

Ook als ze al wat ouder zijn, blijven onze kinderen ons heilig. Ze kunnen rekenen op onze bescherming en hulp zonder dat we daarvoor veel terugverwachten. Vroeger, en nu nog in traditionele samenlevingen, fungeerden kinderen als oudedagsverzekering: tussen de generaties bestond wederkerigheid van opoffering en zorg, gespreid over een mensenleven. Maar nu zeggen ouders dat ze op hun oude dag „de kinderen niet tot last willen zijn.”

Een actueel voorbeeld van deze belangeloze hulpvaardigheid is de tijdelijke regeling om je kind belastingvrij tot 100.000 euro te schenken voor de betaling van een huis. Het kabinet raamde dat tussen oktober 2013 en eind 2014 20.000 mensen gebruik zouden maken van die regeling. Het werden er waarschijnlijk vier keer zo veel. In Zuid-Europa, waar de jeugdwerkloosheid in de tientallen procenten loopt, schroeven veel ouders hun consumptiepatroon terug om hun werkloze kinderen te steunen en onderdak te verlenen.

Maar die spontane hulp heeft wel een grens: ze houdt halt bij het lot van andermans kinderen. Een doortastende bestrijding van jeugdwerkloosheid als algemeen probleem stuit op de onwil van al die gezamenlijke papa’s en mama’s om in eigen vlees te snijden. Ook de bereidheid van Nederlandse ouders om hun kinderen financieel te ondersteunen, heeft geen pendant in een collectieve voorziening ten gunste van hun gezamenlijke nakomelingen, bijvoorbeeld in de vorm van een toekomstfonds, gevuld uit de aardgasbaten.

Buiten de sfeer van familie en gezin, in de maatschappelijke arena, klampen volwassen generaties zich vast aan hun ‘verworven recht’ op consumptie en denken liever niet te veel na over de vraag of ze de gevolgen niet afwentelen op hun nageslacht. New York Times-columnist Thomas Friedman beschuldigde vorig jaar de babyboomers van potverteren. Hun kinderen en kleinkinderen mogen een generatie subsidiëren die beter af is dan zij, waarna ze diep in de schulden worden achtergelaten: „Sorry kids, we ate it all.” De Tsjechische econoom Tomas Sedlácek voegde daaraan toe dat we verslaafd zijn geraakt aan met schulden gefinancierde consumptie. En schuld is „geld dat energie uit de toekomst zuigt”.

In Nederland waarschuwden de sociologen Schuyt en Van Doorn al in hun boek De stagnerende verzorgingsstaat (1978) dat de verzorgingsstaat de problemen oploste door ze op de toekomst af te wentelen. Sindsdien is dat probleem alleen maar groter geworden, constateerde toenmalig CPB-directeur Coen Teulings in 2009. We hebben het aardgas bijna opgemaakt, geprofiteerd van de zeepbeleconomie en schuiven de rekening grotendeels door naar de toekomst.

„We bevinden ons in een shopping mall waar we eeuwig Tina Turner horen”, zei historicus Philipp Blom vorig jaar in deze krant. „Maar we willen de uitgang niet zien, want we leiden eigenlijk een prachtig, comfortabel leven. We willen geen toekomst.” De klimaatverandering, de energievoorziening, de bevolkingsgroei en de voedselproductie stellen ons voor fundamentele vragen die we liever uit de weg gaan.

Blom doelde daarbij ook op onze verre nakomelingen, met wie we geen spontane band voelen omdat we ze niet kennen en nooit zullen kennen. Het gaat om een soort aliens van eigen bloed. Onszelf dingen ontzeggen omwille van hun lot, valt ongeveer in dezelfde categorie als geld overmaken voor mensen in arme landen. Dat doe je niet uit liefde, maar om ideële redenen. Uit ‘solidariteit’.

Er is nog een andere overeenkomst tussen internationale solidariteit met arme mensen ver weg en intergenerationele solidariteit met onze verre nakomelingen. Voor beide geldt dat het beroep op die solidariteit nieuw is. Nooit eerder in de geschiedenis werden wij direct geconfronteerd met alles wat andere mensen ter wereld overkomt. We zien de beelden en ‘moeten’ daar iets mee.

En nooit eerder beschikten wij over de mogelijkheden om de aarde zo ingrijpend te beïnvloeden dat we onze verre nakomelingen daarmee belasten. De mogelijke gevolgen daarvan werden al in 1974 bondig verwoord door de cultuurfilosoof Feitse Boerwinkel in zijn boek Einde of nieuw begin. Als de schrijver van de Tien Geboden nu had geleefd, merkte hij op, zou hij het vijfde gebod ‘Eert uw vader en uw moeder’ een vervolg hebben gegeven: ‘... en gedenk in uw handelen uw kinderen en kindskinderen.’

Een schoorsteenmantel heb ik niet, wel een bureau. Daarop is een prominente plaats ingeruimd voor foto’s van mijn ouders. Zo kan ik mijn moeder nog eens in de ogen kijken: doe ik het goed zo, mama? Een eerbiedige en dankbare verstandhouding met voorouders is een belangrijke bron van culturele continuïteit. Een besef van verantwoordelijkheid door de generaties heen geeft iets van waarde, iets om op voort te bouwen, ook als andere grote verhalen ontbreken of zijn versleten.

Ik ben geen uitzondering als ik mijn ouders en grootouders dankbaar aankijk. Zij leefden sober en werkten hard, vroegen niet veel voor zichzelf, moesten de verschrikkingen van de oorlog doormaken maar wisten ons toch in een sfeer van geborgenheid groot te brengen.

Ook mijn dochter en mijn kleinzoon staan op mijn bureau. Zes jaar is Abel nu, hij kan de 22e eeuw halen. Tegen die tijd heeft hij zelf misschien kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Mensen krijgen steeds later kinderen en worden steeds ouder; Abels achterkleinkinderen kunnen leven tot het jaar 2200.

Op zijn oude dag kan Abel dus geconfronteerd worden met zorgen over de toestand in de wereld over bijna tweehonderd jaar van nu. Als ik Abel die zorgen wil besparen, moet ik me nu dus druk maken over die toestand. Het zou helpen als ik op mijn bureau ook een foto had staan van een bezorgde oude Abel, ongerust over het lot van zijn kleinkind. Of van dat kleinkind zelf.. Maar ja, de toekomst is een onbekend land, bevolkt door hypothetische mensen.

Verwijzingen naar dat verre land hebben iets mythisch, ze lijken niet gemakkelijk in overeenstemming te brengen met onze nuchtere tijdgeest. Uitdrukkingen als ‘kindskinderen’ en ‘tot in het zoveelste geslacht’ kennen we eigenlijk alleen uit de bijbel.

En dan meestal in weinig positieve zin. In verschillende bijbelboeken is sprake van een 'generatievloek'. Zo moeten, in Exodus, de kleinkinderen van Noach verdrinken bij de zondvloed waarmee God de verdorvenheid van de volwassen mensen afstraft.

„Ik heb jonge kinderen”, zei Pieter Korteweg, voormalig thesaurier-generaal, in 2013 in Het Parool. „We zadelen een nieuwe generatie op met problemen die nog heel lang zullen voortduren. Dat vind ik het meest tragische. Die generatie is zich nog nergens van bewust.”

Niet alleen onze verre nakomelingen kun je als hypothetisch beschouwen, hetzelfde geldt voor hun problemen. Niemand weet zeker of de schuldenberg die wij door ons ongeremd consumeren hebben opgebouwd toekomstige generaties inderdaad zal verlammen.

Ook de voorspellingen over de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde zijn niet eenduidig. Op één punt lijkt echter een redelijke overeenstemming te bestaan: deze eeuw zullen de gevolgen van opwarming en zeespiegelstijging nog vrij beperkt zijn. Pas daarna kunnen ze echt gevaarlijke proporties aannemen.

Volgens de laatste klimaatscenario’s van het KNMI, vorig jaar gemaakt op basis van het vijfde rapport van het VN-klimaatpanel IPCC, stijgt de Noordzeespiegel tot 2085 met 25 tot (in een extreem ongunstig geval) 80 centimeter. Maar voor het jaar 2300 wordt een stijging van enkele meters mogelijk geacht. Het zijn onze achter-achterkleinkinderen die daardoor zouden worden getroffen.

Hoewel, getroffen? Ook dat staat niet vast. Zelfs als de opwarming op volle kracht door zet, moeten we dan niet wat meer vertrouwen hebben in onze nakomelingen en in hun vermogen om de problemen zelf op te lossen? Wij hebben toch ook meer welvaart en meer mogelijkheden dan onze voorouders? Die gedachtegang is ons tussen de oren gaan zitten, getuige uitdrukkingen als ‘het zal mijn tijd wel duren’ en ‘na ons de zondvloed’.

In het Amerikaanse tijdschrift In The Atlantic van afgelopen september wijst Charles C. Mann erop dat deze optimistische gedachtegang vooral in Amerika populair is. „Amerikanen sparen niet eens voor hun eigen oude dag! Waarom zouden we ons dan zorgen maken om hypothetische wezens (Mann is de uitvinder van dat mooie begrip) die zo ver van ons af staan?”

Ieder voor zich en steevast vertrouwen op eigen kracht – misschien heeft de Amerikaanse terughoudendheid op het gebied van milieumaatregelen iets te maken met die oude pioniersgeest. Maar dat onze kindskinderen fluitend onze rotzooi zullen opruimen, is even onzeker als de daaraan tegengestelde verwachting. Het is slechts een veronderstelling, en nog afgezien daarvan: waarom zouden onze kindskinderen, ook als zij dat zouden kunnen, eigenlijk onze schillen en dozen moeten opruimen?

Dat er geen zekerheid bestaat over de vraag of we komende generaties met ernstige problemen zullen opzadelen, is geen reden om met slappe maatregelen te volstaan. Gaat het om onze eigen kinderen, dan is die zekerheid ook geen noodzakelijke voorwaarde voor het treffen van voorzorgsmaatregelen. Als opa en oma geld storten in een studiefonds voor hun kleinkind, weten ze niet met zekerheid of dat nodig zal zijn. Ze nemen het zekere voor het onzekere.

In zijn vorig jaar verschenen boek Reason in a Dark Time (2014) stelt de Amerikaanse filosoof Dale Jamieson de vraag of we diezelfde gedachtegang niet moeten volgen als het om onze verdere nakomelingen gaat. Sterker: zijn we niet verplicht om uit te gaan van het meest gevaarlijke scenario dat hen door ons toedoen zou kunnen overkomen, in plaats van het meest waarschijnlijke?

Het ruimtebeslag dat de bewoners van een land nodig hebben voor hun productie en consumptie wordt wel omschreven als hun ‘ecologische voetafdruk’. Die voetafdruk van Nederland is drie keer zo groot als het feitelijke grondoppervlak van ons land. Daarmee staan we in de toptien van landen met de grootste ecologische voetafdruk. Onze invloed op het toekomstige land kan op dezelfde manier worden beschouwd. We dreigen een grote lompe voetafdruk te zetten in de huiskamer van onze achterkleinkinderen.

Ook onze eigen voorouders hebben hun omgeving gemanipuleerd om zich energiebronnen te verschaffen. Ze hebben bossen gekapt, steenkool gedolven en turf gestoken en dat allemaal opgestookt, met een waaier aan milieugevolgen als resultaat. Maar de voetafdruk die wij nu in het toekomstland zetten, is van een andere orde, doordat mensen nooit eerder de technologische mogelijkheden hadden om de globale ecologie te verstoren.

Niet alleen de omvang van deze effecten is ongekend, hetzelfde geldt voor de duur van de nawerking ervan. Broeikasgassen blijven honderden jaren aanwezig in de atmosfeer en duizenden jaren in de oceanen. Daardoor blijft, zelfs als de uitstoot zou worden beteugeld, de zeespiegel nog eeuwenlang stijgen. Gaat de uitstoot door, dan is het effect cumulatief.

Onze aarzeling om onze levenswijze op consumptie- en milieugebied aan te passen, is een variant van de tragedy of the commons: : het model uit de speltheorie waarbij ieder streeft naar maximaal eigen voordeel, met het voor allen nadelige gevolg dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Een tragedy of the commons kan worden afgewend door harde afspraken waaraan alle partijen zich moeten houden. Daarvoor is een besef van onontkoombare wederzijdse afhankelijkheid nodig. Internationale solidariteit met de sloebers elders in het werelddorp wordt daardoor begunstigd. We zijn immers meer dan ooit met hen verbonden op manieren die ons eigen belang raken. Overbevolking, migratiestromen en gezondheidsrisico’s als ebola gaan de hele wereld aan.

Bij de verhouding tussen ons en toekomstige generaties is die belangenverstrengeling heel wat minder vanzelfsprekend. In sommige gevallen gaat het goed; een voorbeeld is het uitgebreide stelsel van waterbeheersing dat we in Nederland hebben opgebouwd. Een werk van onze voorouders dat wij voortzetten, zoals ook onze nakomelingen dat zullen doen. Nederland boven water houden is een gemeenschappelijk belang door de eeuwen heen. Het kost geld en inspanning maar levert ook opbrengsten op, zowel voor hedendaagse als voor toekomstige generaties.

Bij maatregelen tegen de schuldenberg en de uitstoot van broeikasgassen is dat niet zo. Daar bestaat geen eigenbelang dat ons aanzet tot zelfbedwang. De payoff komt immers pas na onze dood en wordt opgestreken door onze nakomelingen. Zij delen met ons een gemeenschappelijke leefomgeving, maar om die omgeving leefbaar te houden, moeten wij in eigen vlees snijden - zij niet. Hun lot is vervlochten met het onze, maar het onze niet met dat van hen.

Als generaties elkaar willen committeren om een fatale tragedy of the commons te voorkomen, schiet de gebruikelijke aanpak dus tekort. Zoals in december nog eens werd bevestigd door de resultaten van de VN-Klimaatconferentie in Lima. In een van de warmste jaren ooit kwamen de landen niet verder dan het opstellen van vrijwillige doelstellingen over de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

Bindende afspraken maken met hypothetische wezens zal moeilijk gaan. En als het al zou kunnen, hadden wij er geen direct belang bij. De revenuen van zo’n afspraak zouden immers ten goede komen aan nog weer latere generaties - niet aan ons.

Deze calculerende manier van denken kan er niet alleen toe leiden dat we toekomstige generaties opzadelen met grote economische en milieuproblemen. We dreigen hen ook te belasten met een ‘generatievloek’. De bijbelse verhalen daarover vertellen er niet bij wat dat voor een samenleving betekent, het gevoel door de erflaters verraden te zijn en te moeten boeten voor de zonden van mensen die al lang dood zijn.

Voorouders die je hebben verneukt, zijn als goden die je uitlachen. Wat betekent dat voor je blik op de toekomst? Hoe vertel je het je kinderen? Is een besef van voorouderlijk verraad niet funest voor het geloof in een menswaardig bestaan? Goed rentmeesterschap, zoals het bij de christenen heet, kan de redding zijn van ons laatste grote verhaal.