Stoned als een aap

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Jeanne Merkus, de zesde dochter van Pieter Merkus, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, erfde op haar 23ste van haar moeder Wilhelmina Niclasina Cranssen een gigantisch kapitaal, waardoor zij zich aan traditionele vrouwenrollen kon onttrekken. Ze werd geen echtgenote en moeder, maar een moderne kruisvaarder. Als meisje identificeerde ze zich al met Jeanne d’Arc en hoewel ze zich Jenny liet noemen verwierf ze op de Balkan de erenaam ‘Onze Jeanne, niet die van Orleans’. Vanuit Dubrovnik voerde de in mannenkleren gehulde Merkus in 1875/1976 christelijke Serviërs en Kroaten aan in hun strijd tegen de islamitische Turken. Haar einddoel was Jeruzalem. Antropoloog René Grémaux en geoloog Wim van den Bosch deden jarenlang onafhankelijk van elkaar onderzoek naar deze vergeten Hollandse Jeanne d’Arc en hebben nu hun bevindingen gebundeld in de rijke biografie Mystica met kromzwaard. Het opzienbarende leven van Jenny Merkus (1839-1897) (1).

Behalve strijdster was deze protestantse jihadiste ook evangelist en filantroop. Tot de eerste levensbehoeften rekende zij (dikke) sigaren, waaraan ze zelf van jongs af aan verslingerd was en die ze royaal uitdeelde.

Sigaren komen slechts sporadisch aan bod in Aan de laatste roker (2), bijna alles draait daarin om de sigaret of liever, zoals de titel al zegt, om het bedwingen van het verlangen naar nicotine. ‘Het verlangen naar een sigaret is/ het verlangen zelf’, dichtte Rutger Kopland. Hij is een van de tientallen dichters in deze door Henny Vrienten bijeengebrachte verzameling aan het roken gewijde poëzie, die doorgaans weinig bemoedigend is voor wie tracht te stoppen. In de meeste gedichten staat stoppen met roken gelijk aan de ontoereikendheid van elk menselijk streven. Gelukkig zijn er de tekeningen van Peter van Straaten. Weliswaar bieden die de verstokte roker ook weinig hoop, maar de herkenbaarheid van de scènes die Van Straaten tekent, is altijd troostrijk.

Uiteraard komt ook Jules Deelder voor in deze rokersbundel met zijn bekende ‘Impressie’: ‘We liepen./ We liepen door./ We liepen door de Lijnbaan.// We waren./ We waren stoned./ We waren zo stoned als een aap.’ Bloemlezingen op een thema zijn vermoedelijk meer tijdgebonden en dus ook vergankelijker dan bloemlezingen van één dichter. Jules Deelder forever. Naar aanleiding van de zeventigste verjaardag van Deelder maakte de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb een keuze uit diens werk, Dag & nacht (3) geholpen door andere Rotterdammers die hun favoriete gedicht konden aanmelden. Afgezien van de observatie dat Deelder bijna geen metaforen gebruikt, is de inleiding typisch Rotterdams: de burgemeester beroemt zich erop dat de tekst van het gedicht ‘Voor Ari’, dat getegeld staat over de wand van de fietsbuis van de Beneluxtunnel, daarmee het langste gedicht ter wereld is. Aboutaleb durft nog net niet de stelling aan dat Deelder de grootste dichter ter wereld is, maar dat hij de beste dichter van Rotterdam is, staat al enkele decennia vast.

Met de bijna duizend pagina’s tellende biografie van Loe de Jong door Boudewijn Smits leek de geschiedenis van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie uitputtend te zijn beschreven, maar Annemieke van Bockxmeer levert een bijzonder interessante aanvulling. De oorlog verzameld (4)is een studie naar de wijze waarop het NIOD het materiaal verzamelde waarop het leeuwendeel van de geschiedschrijving van Nederland in de Tweede Wereldoorlog berust.

Het Algemeen Rijksarchief was niet toegerust om in de oorlog gevormde archieven te beheren. Direct na de bevrijding bestonden er geen regels voor de bescherming van de nationaal-socialistische archieven. Medewerkers van opsporingsdiensten verschaften zich er toegang toe. Zij aarzelden niet er documenten uit te verwijderen om er dossiers mee aan te leggen.

Aanvankelijk verzamelde het rijksinstituut vooral particuliere documenten, zoals dagboeken. Ook het gebruik van oral history als bron voor wetenschappelijk historisch onderzoek werd door de medewerkers bevorderd. In de loop van de tijd veranderde het NIOD van ‘een verzamelstation van nationaal leed’ in een collectie die onderzoekers in staat stelt een gefundeerd oordeel te geven over wat zich tijdens de bezetting in Nederland heeft afgespeeld. ‘Aan dat oordeel lag van het begin af aan een politiek-morele overtuiging ten grondslag’, schrijft Van Bockxmeer, namelijk de overtuiging dat de democratische vrijheden het waard zijn verdedigd te worden.

Zij betoogt dat de vorming van het NIOD-archief illustratief is voor twee langjarige processen. Ten eerste ‘de leeszaalbeweging’, ofwel het streven naar voor iedereen bereikbare openbare bibliotheken. Een tweede factor was ‘de hang naar het verleden’, volgens de auteur een reactie op de moderniteit.