Sluipmoord op NWO

Er dreigt een sluipmoord op de Nederlandse wetenschap. Men heeft plannen om NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, te ‘kantelen’. De gebruikelijke ordening in disciplines moet vervangen worden door brede oriëntaties op onderzoek voor de wetenschap, de maatschappij en de economie. Terecht is er grote onrust ontstaan. Spinozalaureaten, universiteiten en Akademie hebben de noodklok geluid.

Kantelen is een favoriet modewoord van consultants. Het roept bij mij maar één beeld voor ogen: de omgevallen boekenkast. De studieboeken, ooit liefdevol per onderwerp gerangschikt op de planken, liggen nu in een grote stapel op de vloer. Graaien maar.

Er zijn vele redenen waarom de voorgenomen reorganisatie van NWO een onzalig plan is. De simpelste is wellicht dat geen land het onderzoek zo heeft ingericht. Als je de enige bent met een idee, dan zijn er twee mogelijke verklaringen. Een is dat het zo briljant is dat niemand anders het heeft kunnen bedenken.

Nederland heeft een uitzonderlijk wetenschapssysteem. De onlangs uitgebrachte Wetenschapsvisie van het kabinet benadrukt dat nog eens. We leven in een tijd waarin wereldwijd de ongelijkheid toeneemt, ook in de wetenschap. De verschillen tussen instellingen en tussen onderzoekers worden alleen maar groter. Het budget van een enkele Amerikaanse topuniversiteit evenaart nu de totale publieke onderzoekuitgaven in Nederland. (Dit jaar is de omzet van Stanford 5,1 miljard dollar, terwijl Den Haag 4,5 miljard euro uitgeeft aan onderzoek. )

Ondanks deze mondiale druk en afnemende financiën heeft de Nederlandse wetenschap een uniforme hoge kwaliteit weten te bewaken. Wat is het geheim? Een cruciale succesfactor is de sterke onderlinge verbondenheid, de vermaledijde overlegcultuur en poldermentaliteit, die iedere dag wordt beleden in talloze grauwe vergaderzaaltjes met slechte koffie in plastic bekertjes. Het vergadercircuit is een eindeloze bron van frustratie en een afvoerput van energie, maar het geeft wel een unieke coherentie aan ons land.

Dat is duidelijker te zien door vreemde ogen. In de Verenigde Staten is deze overlegcultuur totaal afwezig. De wens om het met elkaar eens te worden is vervangen door de cultus van het eigene. Andere instellingen worden eerder gezien als concurrenten waartegen je afzet, dan als partners waarmee je samenwerkt.

De drang tot verbinden sterkt zich uit tot het buitenland. Nederland scoort onveranderd hoog in internationale samenwerkingen. Nu hebben we om met de voormalige minister Luns te spreken „als klein land enorm veel buitenland”, maar de pragmatische Hollandse handelsgeest is springlevend in de wetenschap.

Al die verbindingen uiten zich vooral binnen het vakgebied. Een fysicus aan een Nederlandse universiteit zal zich even verbonden voelen met de natuurkunde als met de instelling. Deze disciplinaire samenhang is een groot goed. Een robuust wetenschapssysteem vereist „schering en inslag”: verticale binding in de vorm van krachtige universiteiten en onderzoeksinstituten, en horizontale binding binnen de vakgebieden.

De bijzondere aard van de Nederlandse wetenschap heeft zich belichaamd in NWO, waar de disciplines traditioneel goed zijn georganiseerd. Juist omdat beslissingen over onderzoeksgelden door collega’s met verstand van zaken worden genomen, is de kwaliteit internationaal gezien zo hoog.

Disciplines lijken hun beste tijd te hebben gehad. Inter-, trans-, cross- en multidisciplinariteit zijn de toverwoorden van de dag. Maar er is een goede reden waarom gebieden ontstaan en overleven. Het zijn coherente eenheden van kennis, denkwijzen en methodes met een eigen cultuur. Disciplines vallen meestal niet samen met onderwerpen van onderzoek, en dat is maar goed ook. Grote vragen als de energievoorziening op planeet aarde, de gezondheid van de mens of de samenstelling van het universum vereisen meerdere perspectieven. Een wiskundige en een medicus hebben een andere blik op genetische informatie, net zoals een theoloog en ingenieur verschillend naar een kathedraal kijken. Het is te veel gevraagd om alle gezichtspunten tegelijk in te nemen.

Over de hele wereld worstelen onderwijsinstellingen met het profiel van de ideale student of onderzoeker. Ik heb eigenlijk nooit een ander goed antwoord gehoord dan het T-profiel. Een diep verankerde disciplinaire poot met daarop een breed oriënterende dwarsbalk. Je kunt geen goed onderzoeker worden zonder de concrete ervaring van een specifiek vakgebied. Denk aan de befaamde woorden van de Engelse premier Asquith over de jonge Churchill „Ik wou dat ik zo veel over iets wist, als die jongeman over alles weet.”

Er bestaat geen wetenschappelijke variant van het Zwitsers zakmes. De Duitsers hebben daar een mooi woord voor: eierlegende Wollmilchsau – letterlijk een eierenleggend wolmelkvarken, de droom van iedere veehouder. Boer NWO zou er goed aan doen alle kippen, schapen, koeien en varkens op zijn erf te waarderen voor hun eigen producten.

In het algemeen ontvang ik geen boze brieven op mijn columns. Daar is de wetenschap misschien ook niet belangrijk genoeg voor – werd men maar eens echt boos! Maar één negatieve reactie kan ik mij nog goed herinneren. Ooit schreef ik hier over interdisciplinariteit: „Niemand is erbij gebaat om alle gerechten in een blender te gooien, de ingrediënten eens flink te klutsen en deze vervolgens als een smakeloze brij te serveren.”

De boze brief die ik hierop ontving was van een barman. Ik had zijn ambacht beledigd. Inderdaad, het geheim van de cocktail is de juiste combinatie van ingrediënten. Ook de combinatie van disciplines kan een spannende reactie opleveren. Maar, om bij deze metafoor te blijven, graag shaken, not stirred.