Kabinet, waar moet ’t met dit land naartoe?

Leunstoeleconomen. Kent u dat woord? Het schoot me te binnen bij lezing van een interview in Het Parool met economiehoogleraar Lex Hoogduin. Hij nam, heel ongebruikelijk voor een oud-directeur van De Nederlandsche Bank, de rol van de vakbeweging over en riep op tot een loonstijging van 3,5 procent. Om dat te bereiken moet de looneis van FNV en CNV zeker 4,5 à 5 procent zijn, lijkt me. De onderhandelaars weten wat hen te doen staat.

De lonen stijgen volgens Hoogduin „te weinig” en daardoor lopen we te veel kans op prijsdalingen (zie de olieprijsval) en daar zijn economen én de Europese Centrale Bank doodsbenauwd voor. Zij zijn bang dat consumenten hun bestedingen uitstellen tot de prijzen nog lager zijn. Loonstijgingen moeten koopkracht en economische groei stimuleren. Ja, zo makkelijk is het, al geeft Hoogduin meteen toe dat 1) de FNV vooral met zichzelf (fusies) bezig is, dat 2) weinig mensen nog vaksbondslid zijn en dat 3) de mondialisering van de economie werknemers kwetsbaar maakt voor lage lonen elders in de wereld (Oost-Europa, China, India).

Zoals er leunstoelgeneraals zijn die in de media duiding geven over oorlogen, zo zijn er leunstoeleconomen die rente, groei en loonvorming proberen uit te leggen. Er is een parallel: economie is geen oorlog, maar wel strijd: wie krijgt meer economische koek, wie minder en hoe maken we de koek groter?

Ondernemers en politici houden van groei. Voor de eerste groep is dat meer winst. Voor de tweede maakt extra groei ingewikkelde keuzes gemakkelijker: iedereen wat erbij geven is leuker dan bezuinigen. Met meer kans op herverkiezing. Of die extra groei ook gunstig is voor de planeet, gezien de aanslag op milieu, grondstoffen en dierenleven, is natuurlijk een ander verhaal.

Hoogduin hint in Het Parool op ons échte tekort: volstrekte onduidelijkheid over waar Nederland economisch-politiek naartoe moet. Kiezen we voor het bestaan als provincie van Duitsland, dan moeten we ook hun praktijk overnemen: liefde voor industrieel vakmanschap, uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling verdubbelen, minder financiële economie. Hoogduin lijkt daar wel voor te voelen.

Of moeten we de modernste stadstaat van Europa worden? Dat is de slotsom van Jeroen van der Veer, voormalig topman van Shell, die in een interview met Het Financieele Dagblad pleit voor een „strengere overheid” en „niet eindeloos dingen subsidiëren”, maar een centrale agenda opstellen. Zijn prioriteiten? Energie- en dus industriepolitiek, harder leren en radicaal ingrijpen om werken serieus lonender te maken dan een uitkering plus toeslagen. Eén citaat: „Een prettige verrassing is dat ondanks de zeer hoge jeugdwerkloosheid het rustig is gebleven. Tweehonderd jaar geleden hadden we een revolutie gehad.”

Als een voormalige topmanager een strengere, sturender overheid ambieert en een voormalige centrale bankier hogere looneisen op de agenda zet, voel je dat de tijd rijp is voor onconventionele maatregelen.

Dat is wel het tegenovergestelde van wat het kabinet doet. Het beleid borduurt voort op wat in de economische crisis dertig jaar geleden succesvol was: loonmatiging en vermindering van het overheidstekort. En als toegift wat lastenverlichting. Verder is er weinig idee. Als anderen wel een idee hebben, zoals de denktank WRR met zijn doortimmerde advies Naar een lerende economie is de reactie eerst neerbuigend, daarna oppervlakkig.

Dus, kabinet, zoals elke leunstoelgeneraal weet: vecht nooit de vorige oorlog, want dan verliest u de actuele strijd.