Je leeft pas écht als je ook het lijden durft toe te laten

(Foto boven) „In 1964 ben ik in Limburg als priester gewijd.”
(Foto boven) „In 1964 ben ik in Limburg als priester gewijd.”

„Zes jaar geleden leek het erop dat mijn leven voorbij was. Ik lag in het ziekenhuis met een longembolie en longontsteking. Ik had er vrede mee, ik dacht: ach, het is mooi geweest, ik ben er klaar voor. Maar wonderwel ben ik opgeknapt.

„In 2000, na mijn vervroegde pensionering, ben ik fanatiek gaan zwemmen. Ik had er aanleg voor, ik schoot door het water. Dat zit in m’n karakter. Wat ik doe, doe ik met overgave – maar dit deed ik zo fanatiek dat ik toen waarschijnlijk te veel van mijn longen heb gevraagd.

„In diezelfde jaren heb ik gewerkt aan een proefschrift, waarop ik eind 2004 gepromoveerd ben. Ik heb onderzoek gedaan naar de oorsprong van religiositeit, naar religie als mystieke, spirituele ervaring.

„Ik ben atheïst, maar let wel: ik ben géén antitheïst. Ik weet hoe religie een krachtbron kan zijn, en ik zeg dat ook uit eigen beleving. Als twaalfjarige heb ik het ouderlijk huis al verlaten. Ik wilde priester worden. Ik ging naar een katholiek jongensinternaat en ben daarna in een missiehuis klaargestoomd voor werken in Afrika. Na dertien jaar ben ik tot priester gewijd.

„Het was allemaal mijn eigen keuze. Ik kom uit een rood dorp, Velsen-Noord; het geloof zat bij ons thuis van oorsprong niet zo heel diep. Pas veel later, vooral ook in de jaren dat ik aan mijn proefschrift werkte, heb ik me echt afgevraagd waarom ik tot m’n negenentwintigste heb geleefd in een wolk van jeugdige vroomheid.

„Want ja, toen ik bijna dertig was, ben ik uitgetreden. Ik voelde me niet geschikt voor de missie. Ik zag het als een vorm van kolonialisme. Ik ben bovendien niet reislustig van aard, ik ben gehecht aan huis en haard.

„Als kapelaan in Deventer was ik verantwoordelijk voor het jongerenwerk. Als twintiger in de jaren ’60 raakte ik in de ban van alles wat toen gistte: het gedachtengoed van paus Johannes XXIII, democratisering, provo. Ik ben uitgetreden, getrouwd, kinderen gekregen. Jeugdzorg, vormingswerk – dat werd mijn werkterrein.

„Het leven gaat zoals het gaat, er zit nogal wat toeval in: keuzes waarover je op het moment zelf niet al te diep hebt nagedacht. Pas als je ouder wordt, ga je scherper zien waarom je ooit hebt gedaan wat je deed. Dat vind ik het mooie van deze levensfase. Ik ben me nu zoveel meer bewust van het panta rei: van oppakken en weer loslaten, de in- en uitademing van het bestaan, nataliteit en mortaliteit.

„In gedachten zie ik mezelf als jochie op zondagochtend al vóór zeven uur naar de vroegmis lopen. Ik was misdienaar. Wat trok me toch in die kerk? Mijn geloof van toen heeft alles met de oorlog te maken.

„Mijn vader was opgepakt om in Duitsland te werken. Tweeënhalf jaar hebben we niets van hem gehoord, wisten we niet of hij nog leefde. Ons huis werd afgebroken voor de kustverdediging, we kwamen in een ander dorp terecht. Als zesjarige heb ik de hongerwinter meegemaakt en mensen uitgemergeld op straat zien liggen. En toen, in de zomer van ’45, stond er ’s ochtends vroeg opeens een vreemde man op de stoep: mijn vader.

„Mijn moeder was al die jaren elke dag naar de kerk gegaan om te bidden voor de terugkeer van mijn vader. Als kind denk je dat God haar gebeden heeft verhoord. Nu besef ik wat de kerk ons toen bood: hoop, een baken van rust in een vreselijk tijd, een gevoel van veiligheid, geborgenheid.

„Die religieuze emoties heb ik in mijn proefschrift onderzocht. Anders dan in het Engels kun je in het Nederlands gelukkig een onderscheid maken tussen religie en godsdienst. Ik zie godsdienst als een politiek instrument: die ene God is, door de hele geschiedenis heen, gebruikt om macht uit te oefenen en een centralistische staat te vestigen.

„Religiositeit is ouder, zit dieper in de ziel van mensen. Spiritualiteit, meditatie, mystieke ervaring – dat is wat mij fascineert. Wat zoekt en vindt een mens daarin? Als je dat gaat onderzoeken, kom je als vanzelf ook uit bij taoïsme en boeddhisme. Dit brengt je tot het inzicht dat tegenslag, verdriet, pijn, angst voor verlies en dood – dat dit allemaal integraal onderdeel van het leven is. Sterker nog: je leeft pas écht als je ook het lijden durft toe te laten en bereid bent het leven los te laten.

„Dit zijn grote woorden, dat realiseer ik me. Ik kan het simpeler zeggen. In de eerste fase van mijn leven vond ik steun in het geloof om te kunnen omgaan met angst en hoop te houden op een toekomst zonder die angst. Vervolgens moest ik dit leven loslaten om als mens verder te kunnen groeien. Dat is een innerlijke strijd geweest. De jongen die ik was, moest het lef hebben te sterven, zodat ik herboren kon worden als de echtgenoot, vader en grootvader die ik uiteindelijk geworden ben.

„Zo heb ik in mijn leven wel meer momenten gehad waarop ik angst voor het onbekende, ingrijpende keuzes, gesprekken met mijn innerlijk zelf niet uit de weg ben gegaan. Christenen zeggen dan: lijden en verlossing zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Of, in Oosterse bewoordingen: onderzoek jezelf, pak vast en laat los, probeer niet alleen te kijken maar ook te zien. ‘De blikseminslag van de waarheid treft altijd het hoogste punt’, schreef Nietsche: wat het belangrijkste voor je is, daar slaat altijd een keer de bliksem in.

„Of ik zelf mediteer? Niet op een matje. Je hoofd leegmaken, daar gaat het om – zodat je openstaat voor alles wat nieuw is: een nieuwe dag, een nieuw avontuur. ’s Ochtends kan ik in bed liggen en genieten van de stilte en een leeg hoofd. Ook mijn leven kent z’n zorgen, zoals die in elk mensenleven voorkomen. Ze zijn dragelijk als je ze ook kunt loslaten. Dit inzicht heeft deze levensfase mij gebracht – en dat voelt goed.”