Ik houd sociaal contact af

Tim Fransen, filosoof en psycholoog, is misschien wel de nieuwe Theo Maassen. „Ik wil aantonen dat het leven betekenis heeft”, zegt hij, terwijl zijn risotto koud wordt.

Cabaretier Tim Fransen: „Als het om praktisch gemak gaat, laat ik me niets gelegen liggen aan wat de buitenwereld vindt. Ik heb ook fietstassen.”
Cabaretier Tim Fransen: „Als het om praktisch gemak gaat, laat ik me niets gelegen liggen aan wat de buitenwereld vindt. Ik heb ook fietstassen.”

De belofte van 2015 is Tim Fransen. Wie? Tim Fransen. 26 jaar. Cabaretier. Nooit van hem gehoord? Geeft niks. Hij moet nog debuteren met zijn eerste, avondvullende voorstelling. Misschien wordt dat wel zijn doorbraak. Mag hij daarna meteen de Oudejaarsconference doen. Helemaal niet zo’n gekke voorspelling, aan die van 2013 (van Theo Maassen) werkte hij al mee. In april 2015 zou hij met de try-outs beginnen van zijn voorstelling Het failliet van de moderne tijd. Maar hij begint nu al, in januari. „Ik werd ongeduldig. Alles zit in mijn hoofd. Ik weet al hoe het worden moet.”

Had u hem kunnen kennen? Jawel. Hij won vorig jaar de jury- én de publieksprijs van het Leids Cabaret Festival. Eerder (in 2010) won hij het Amsterdams Studenten Cabaret. Hij treedt regelmatig op in theatercafé Toomler; het podium voor beginnende (en gevorderde) stand-up comedians. Daar, in Toomler, ontmoette hij Theo Maassen. En dat klikte meteen. Dat is wel te begrijpen. Iets in Tim Fransens optreden doet denken aan Maassen. Z’n iets vertraagde timing, de slepende manier van vertellen, het jongensachtige. Kijk maar naar het filmpje op YouTube waarin hij een pleidooi houdt voor de JSF. „Gewoon een super tof vliegtuig.”

Tim Fransen mag de lunchlocatie kiezen. Het wordt Café Americain op het Leidseplein, omdat hij er, één: nog nooit is geweest. En twee: omdat Harry Mulisch er vaak kwam. „Die heeft een paar zeer aardige boeken geschreven, dan zal hij ook wel weten wat een goed café is.”

Hij staat in de deuropening. Lange, schonkige jongen in een te koude jas, met blozende wangen en een zwarte bril. Komt hij over als een lolbroek, een moppentapper? Nou, nee. Hij ziet eruit als de (cum laude) afgestudeerde psycholoog en filosoof die hij ook is. Serieuze jongen. Maar met een gezicht dat aldoor openbreekt in een stille lach.

We bestellen thee. We krijgen een dienblad met een theepot, chocolaatje en een uitgebreid assortiment theeën om uit te kiezen. Hij schenkt in en ontvouwt zijn koekjeshypothese. De prijs voor thee en koffie is veel te hoog, vergeleken met wat het de uitbater kost om het te maken (zoiets als 2 cent). „Dat weten ze zelf ook. Vandaar dat ze, uit schuldgevoel er maar een koekje bij geven.” Hij klapt de lunchkaart dicht. „Er staat maar één ding op voor mij.” Alleen de risotto is zonder vlees of vis. Hij is op z’n achttiende vegetariër geworden. Aha, toen hij het huis uitging, concludeer ik. Hij schudt zijn hoofd, triomfantelijk. „Ik heb tot mijn 23ste thuis gewoond.” In een rijtjeshuis in Gein, Amsterdam-Zuidoost. Zijn vader is muziekleraar op een middelbare school in Almere („Morgen gaat hij met pensioen”), zijn moeder werkt aan de pabo en hij heeft nog een drie jaar oudere zus.

Tegenwoordig woont hij op een „claustrofobisch kleine” zolderkamer waar hij net niet rechtop kan staan, met een bad waar hij nog nooit in heeft gezeten, en eens in de drie weken een schoonmaker. Ja, herhaalt hij, een schoonmaker. „Mijn leven staat in het teken van schrijven, inspiratie opdoen, optreden. Ik slaap, ik eet, probeer een uur per dag piano te spelen. Koken vind ik al heel ingewikkeld. Als ik dan ook nog moet poetsen.”

„Zal ik vertellen hoe mijn dagen eruit zien?”, vraagt hij. Graag. Om tien uur staat hij op. „Dat lijkt laat, maar ik slaap nooit voor 2 uur ’s nachts. Tot die tijd stuiter ik nog van de adrenaline.” Zijn nachtrust bewaakt hij streng, zegt hij. „Ik heb ook een slaapmaskertje.” Hij wacht een paar tellen. „En een pyjama.” Hij vraagt of ik dat raar vind. Grinnikt dan. „Nee, ik heb geen vriendin, dat klopt.” Het is een afweging, zegt hij. „Doe je wat goed overkomt, of ga je voor gemak?” Hij kiest voor het laatste. „Als het om praktisch gemak gaat, laat ik me niets gelegen liggen aan wat de buitenwereld vindt.” Ferm: „Ik heb ook fietstassen. Ik doe geen concessies.” Tijd om Maarten Luther te citeren. „Hier sta ik. Ik kan niet anders.”

Sojayoghurt

Goed, 10 uur, ontbijt: sojayoghurt, banaantje, boterhammen smeren. En dan naar de Universiteitsbibliotheek. „Ik werk van elf tot drie. Niet lang, maar wel geconcentreerd.” Dan: naar huis, piano spelen, eten, en daarna, vier van de zeven avonden: optreden. Vaak bij Toomler, zijn „tweede familie”. Daar kan hij meteen testen of het werkt wat hij die dag bedacht en geschreven heeft. Dan weer slapen, opstaan etcetera. Strikte discipline, overgehouden aan de tijd dat hij fanatiek aan vechtsport deed (tweede van Nederland met karate).

Wat ik mis in zijn opsomming is: gezelschap. Het is fijn, zegt hij, om alleen te zijn. Handig ook. „Teruggeworpen zijn op jezelf, brengt iets naar boven.” Sociaal contact roept juist oppervlakkigheid op. „In een gesprek wil je levelen met je gesprekspartner. Je past je allebei aan, je versimpelt jezelf. Je kunt je innerlijke complexiteit niet met een ander delen, niet in een gesprek althans.” Hij heeft de behoefte in zichzelf af te dalen. Naar waar het borrelt en bruist. „Daar is de voedingsbodem voor ideeën.”

Denk nou niet dat hij een kluizenaar is, of een einzelgänger. Heus, hij heeft vrienden. „Maar ik ken periodes van eb en vloed. In creatieve tijden, als ik schrijf en denk, houd ik sociaal contact af. Ik weet nu dat ik zo in elkaar zit. Ik verzet me er niet meer tegen.”

Zijn werkritme kostte hem wel zijn eerste, serieuze relatie. „Het probleem was vooral dat ik me de discipline zelf opleg. Van negen tot vijf werken op een kantoor, dat is wél legitiem. Want dan moet het.”

Zijn vader is dirigent van een kerkkoor. „Zijn adagium is: zingend geloven. Hij vindt religieuze ervaring in de muziek.” Nee, schudt Tim Fransen. Hij is zelf niet religieus. Hij vertelt dat hij na de breuk met zijn vriendin meeging naar de kerk, voor het eerst in tijden. „Ik voelde volledige kalmte. Niet omdat ik geloof dat daar een hogere macht aan het werk is. Maar door mijn jeugd voelt de kerk als een schuilplaats.”

Zelden iemand zo intens zien nadenken als Tim Fransen doet. Hoofd gebogen, blik op de grond, hij trilt van inspanning. De risotto op zijn bord wordt koud, als hij vertelt wat het „vertrekpunt” is van zijn debuut. „We zijn aanbeland in een tijd waarin we geen beroep kunnen doen op een absolute, fundamentele waarheid.” Als je het leest, klinkt dat misschien hoogdravend. Uit zijn mond klinkt het... treffend.

Nietzsche

De Middeleeuwen hadden een god, de denkers van de Verlichting rationaliteit, de Romantici hun ‘authentieke zelf’ om op te vertrouwen. Maar wij? „Sinds Nietzsche (‘God is dood’) hebben we niets meer om in te geloven.”

Zonder dat we het doorhebben, zegt Tim Fransen, is de scepsis en het cynisme onze cultuur binnengedrongen. „De commercie is in het gat gesprongen dat God achterliet.” Commercie vindt hij prima, zolang het zich beperkt tot spulletjes verkopen. „Maar het koloniseert ook andere terreinen. Het onderwijs, de zorg, de liefde.” Ontwikkelingswerk? Alleen als het ten goede komt aan Nederlandse bedrijven. Medicijnen? Die produceer je alleen als het ook wat oplevert. Een liefdesrelatie ga je alleen aan als je er zelf wat uit kunt halen. „Het is gewoon geworden om zo te denken. Zo gewoon, dat je naïef bent als je hoopt dat er buiten het eigenbelang nog iets anders van waarde is.”

Zijn voorstelling zal de neerslag zijn van zijn persoonlijke zoektocht naar hoe aan het cynisme te ontkomen valt, zónder een beroep te doen op een „grote waarheid”. „Ik hoop aan te tonen dat het leven betekenis heeft, ook als het geen voordeeltjes oplevert.”

Hij eet zijn risotto. Dat geeft mij even de tijd te kauwen op wat hij net zei. Want hoe valt deze materie straks te rijmen met een publiek dat gewoon een avondje wil lachen. Hoe dacht hij zijn denkwerk verteerbaar te maken? „Cabaret is mijn vorm. Ik probeer ‘het grote’ tastbaar en persoonlijk te maken. Het Palestijns-Israëlische conflict? Dat zit voor mij ook in de pot Palestijnse olijfoliesoep in de supermarkt. Lijkt me best lekker, maar kies je partij als je die koopt?”

Hij dacht altijd dat hij vooral het bedenken leuk vond. Grappen verzinnen in de bibliotheek. „Optreden was niet mijn sterkste kant. Ik kwam ermee weg.” Na het winnen van het Leids Cabaret Festival heeft hij met zijn winnende voorstelling door het land getoerd. Hij had ertegenop gezien, maar vond het „verrassend leuk”. „Het theater is zoveel meer dan alleen een podium met een microfoon. Je moet echt spélen.” Voor de komende tournee sluit hij zelfs een liedje achter de piano niet uit. „Was lang not done, maar volgens mij kan het wel weer.”

Hij heeft de timing en de dictie van iemand die eigenlijk verlegen is, misschien ooit gestotterd heeft. Heeft hij even gedaan, zegt hij. „Dat was toen de juf tegen me was gaan schreeuwen. Op de crèche.” Hij heeft de lachers op zijn hand, zonder een lolbroek te zijn. „Niemand in mijn werkgroep filosofie zal ooit hebben gedacht dat ik ambities had als grappenmaker.”

Als hij niet gevraagd werd voor een eindejaarsconference, zou hij het wel snappen. „Wat ik doe, is misschien niet voor iedereen leuk.” Hij mikt op de doordachte lach. De bron van zijn humor is ernst.