Column

Hoteldebotel

Het Schimmelpenninck Huys is al jaren mijn favoriete hotel in de feestelijke studentenstad Groningen. Het is een herberg waar ze de gasten snappen. Als ik er met mijn vrolijke circus voor een dag of wat neerstrijk dan zijn ze daar op voorbereid. Als wij ’s nachts met een mannetje of twintig terugkomen uit de prachtige stadsschouwburg dan worden we opgewacht door een of twee studenten die niet alleen voor nachtportier, maar ook nog voor gastvrije barkeeper spelen. Ze tappen met veel plezier een biertje en duiken graag met mij de wijnkelder in waar ik iets anders dan de huiswijn mag kiezen. Tot vroeg in de ochtend mogen we onze levens op een rij zetten en de volgende dag kunnen we allemaal serieus uitslapen zonder een stofzuigende schoonmaakster op de gang. Zoals we ook tot diep in de middag kunnen ontbijten. Omdat we nou eenmaal geen ambtenaren zijn.

Dit soort hotels zijn steeds meer een uitzondering. Doorgaans slaap ik in tenten waar ’s nachts de sfeer van een crematorium hangt. Je krijgt je sleutel van een chagrijn die je met een droeve blik naar je kamer kijkt. Daar wacht een treurig minibarretje dat tegenwoordig steeds vaker leeg is.

Ik vind dat gek omdat veel hotels geleid worden door mensen die ooit de hotelschool hebben gedaan en daarover hoor je altijd de wildste studentenverhalen. Maar als ze gaan werken worden het dus dooie dienders bij wie rust, reinheid en regelmaat hoog in het vaandel staat. Uit dat soort hotels kom ik altijd terug zonder een verhaal, terwijl het Schimmelpenninck mij weer zo vrolijk stemde.

Er gebeuren daar altijd leuke dingen. De eerste avond sjouwde er een dronken man door de gangen die tegen een deur had staan pissen en die zich afvroeg wat daar mis mee was. Op hetzelfde moment was ik getuige van een ontevreden meneer die heel dik was en zichzelf met vrouw en al door een bed gewipt had. Hij was daar boos over. Ik begreep het bed. De vrouw keek vooral opgelucht. Na zo’n begin kan mijn verblijf er al niet meer stuk.

Sowieso was het weer heerlijk in de stad waar geen student studeert. Ver weg van hun ouders dansen en drinken ze op de tafels van de vele leuke kroegen. Had weer een paar prachtige gesprekken met jonge jongens die mij vertelden dat ze kinderen zijn van ouders die dertig jaar geleden bij mijn nachtvoorstelling op de Grote Markt waren. In een opwelling speelde ik toen ’s nachts om vier uur op verzoek van een clubje studenten in het licht van de tl-buizen van de Febo een groot deel uit mijn voorstelling Hond op ’t ijs. Jong en onbezonnen heet dat. Altijd loop ik met weemoed langs dat punt dat inmiddels niet meer van de Febo is. Het is gelukkig nog wel een automatiek en honderden aangeschoten studenten halen daar diep in de nacht een vette bek. Nu sprak ik met de kinderen van mijn toenmalige publiek. Ik hoorde dat die ouders inmiddels redelijk saai geworden zijn en lijken op de suffe hotels waar ik doorgaans vertoef. Waarom? Zij weten het ook niet. Ik vraag of zij over dertig jaar ook van die suffe doorzontypes zijn. Een paar roepen keihard nee en die vertrouw ik het minst.

Ze vragen waarom ik mijn televisieopnamen altijd in Groningen maak. Ik leg uit dat dat door hen komt. De studenten die de nacht nog vieren. Die nog ruzie zoeken als we het over politiek en toekomst hebben. En door de beeldschone schouwburg waar alles kan en mag. En waar een geweldig publiek zit. En dat het door het Schimmelpenninck Huys met zijn leuke personeel komt. Een hotel waar je als artiest nog serieus genomen wordt en niet wordt behandeld als een klerk van een verzekeringsmaatschappij. Alleen jammer dat ’s nachts de enorme open haard niet meer brandt. Dat maakte de gelagkamer nog authentieker.

Of ik nog een advies had?

„Blijf Groningen”, lachte ik ze toe, „word nooit Zoetermeer of Hoofddorp. Koester je jeugd en hou die zo lang mogelijk vast. En blijf Schimmelpenninck, dus zelfstandig! Word nooit onderdeel van een keten waar de regels door een stel wereldvreemde managers centraal op een hoofdkantoor bedacht worden. Blijf Groningen en Schimmelpenninck en doe geen enkele concessie. Aan niemand!”