Het jaar van de gemeente: hoe het verder ging met de zorg

Belangrijk nieuws voor alle inwoners van Leiden, zo luidde het opschrift van een kleurrijke en optimistisch getoonzette folder die de bewoners in december in de bus kregen. Lees voor Leiden maar rustig: alle gemeenten. Want als 2015 iets is dan is het wel dat het het jaar van de gemeente is. Het jaar van alle 393 gemeenten.

Gemeenten, de ‘medeoverheid’ zoals zij in stukken van het kabinet worden aangeduid, zijn sinds Nieuwjaarsdag direct verantwoordelijk voor allerlei taken op het gebied van zorg, huishoudelijke hulp aan ouderen en op de arbeidsmarkt. Of ze er ook klaar voor zijn, is nog maar de vraag.

Leonard Geluk, voorzitter van de commissie die tot dit jaar op de transitie van de jeugdzorg toezag, sprak woensdag in NRC Handelsblad over „vage contracten” tussen gemeenten en instellingen die in omloop zijn en die soms maar voor drie maanden geldig zijn. De kans dat instellingen die jeugdzorg uitvoeren failliet gaan, is nog steeds reëel. De ANBO, belangenvereniging voor ouderen, meldt dat driekwart van de senioren nog wacht op het zogenoemde keukentafelgesprek, zo bleek uit een enquête. Het gesprek dus met de gemeente dat duidelijk moet maken op hoeveel huishoudelijke hulp ouderen nog kunnen rekenen en tegen welke kosten.

Intussen gelden voor de gemeenten wel wettelijke verplichtingen – hun verantwoordelijkheden zijn nog altijd een afgeleide van wat de rijksoverheid gebiedt. Zo zegt de vernieuwde Wet maatschappelijke ondersteuning dat gemeenten cliënten geen ondersteuning mogen weigeren en dat kinderen, buren of vrienden niet tot hulpverlening aan de ouderen kunnen worden verplicht. Waarvan acte.

Het is op zichzelf een goed idee geweest om zorg en andere hulpverlening op het bord te leggen van het bestuursorgaan dat het dichtst bij de burger staat, en ze weg te halen uit ‘Den Haag’ of de twaalf provinciehoofdsteden. Het is ook niet onlogisch dat deze decentralisatie mede wordt gebruikt om de uit de hand gelopen kosten voor zorg en maatschappelijke ondersteuning af te remmen. Maar het geeft de direct betrokken wethouders en andere leden van de colleges van B en W, alsmede hun controleurs, de gemeenteraden, wel een bijzondere positie. En het roept de vraag op of zij blijvend in staat zijn om waar te maken wat ze ook zelf beweren: dat gemeenten de meest geschikte overheidsinstantie zijn om deze taken op zich te nemen.

Want een ander voornemen dat het kabinet eind 2012 in het regeerakkoord opschreef, is vrijwel niet van de grond gekomen. Dat was het streven naar gemeenten met een omvang van 100.000 of meer inwoners. Weliswaar op de lange termijn, maar er is nauwelijks voortgang geboekt. Terwijl het argument van het kabinet was: „Een grote decentralisatie van taken en bevoegdheden vergt medeoverheden die op een passende schaal zijn georganiseerd.”

Voor de komende tijd is te voorzien dat de – op voorhand omstreden – roep om een groter eigen belastinggebied voor gemeenten zal opklinken. Omdat de decentralisatie de lokale politici hoe dan ook voor meer en moeilijke keuzes stelt. Alvast een vraag voor het kabinet, als dat tenminste in staat is het belastingstelsel te vernieuwen.

Intussen hebben de gemeenten nog veel waar te maken. De folder van Leiden bevat het voorbehoud dat de informatie erin niet juist of onvolledig kan zijn. „De gemeente is hiervoor niet aansprakelijk”, staat er. Dat nu, is een vergissing.