Hèhè

Ik hoorde van iemand die het kan weten dat het einde in zicht is als je jezelf begint te betrappen op het maken van kreunende en steunende geluiden bij het maken van bewegingen. Als je opstaat uit een luie stoel, ‘hhhnnnggg’ zeggen. Of ‘pfffffff’ als je de boodschappentassen tafel zet. „Stel dat moment zo lang mogelijk uit,” luidde het onheilspellend.

Deze verordening gaat ervan uit dat het maken van zucht- en steungeluiden te vermijden is. Dat is natuurlijk ook zo. Op televisie zie je nooit iemand die niest, terwijl niezen voelt als de meest onvermijdelijke reflex die we hebben. En zelfs die is blijkbaar situatie-afhankelijk. Gekreun/-steun is dus, op een onbewust niveau, ook een soort keuze.

En heeft deze keuze ook een functie? Ik denk van wel.

Neem ‘hèhè’. Een uitspraak die je nergens anders hoort dan in Nederland, maar hier dan weer zó veel dat het lijkt alsof wij ook de rest van de wereld voorzien van hèhè’s. „Hèhè, even zitten.”

Wat betekent hèhè normaal gesproken? Het drukt opluchting uit dat iets volbracht is. Het leven is zwaar, maar er zijn kleine momenten dat het leven net iets minder zwaar is dan normaal, en dan mag de rechtgeaarde poldercalvinist ‘hèhè’ zeggen.

Maar je hoort ‘hèhè’ ook vaak op het moment dat er nog niets klaar is. Iemand komt een kamer binnen waar hij aan het werk moet. Een enorme klus, waar hij nog aan moet beginnen, maar hij zegt ‘hèhè’, om zichzelf ervan te overtuigen dat er wel al reden tot opluchting is. Mensen die tegen de overspanning aan zitten gaan hèhè-end door het leven.

Misschien is het kreunen, steunen en zuchten ook zoiets; je probeert jezelf ervan te overtuigen dat je een ‘eindzucht’ doet, terwijl je heus wel weet dat na het neerzetten van de boodschappentassen ook weer het uitruimen van de afwasmachine volgt, en het naar boven lopen. Na elk neerploffen volgt weer een opstaan. Tot je allerlaatste neerplof, natuurlijk.

Maar zo beginnen we het jaar niet. We beginnen 2015 met een opgelucht ‘hèhè’. En dan maar eens aan de slag.