Geen toverformule maar staatsvorm met gebreken

Toen Frank Underwood de eed aflegde als vicepresident van de Verenigde Staten maakte hij, terwijl zijn linkerhand nog op de bijbel rustte, een terzijde dat nogal vloekte met het statige karakter van de plechtigheid. „Democratie wordt zó overgewaardeerd”, mompelde de kersverse vicepresident op samenzweerderige toon, zonder dat de hoogwaardigheidsbekleders die hem omringden het konden horen – „Democracy is so overrated.”

Nu is Frank Underwood een van de grootste cynici van zijn, en onze, tijd – en bovendien een fictief personage. Maar in deze scène, in het tweede seizoen van de Amerikaanse televisieserie House of Cards, verwoordde hij een veel breder levend gevoel. Democratie heeft veel van haar glans verloren, in Amerika, en ook elders in de wereld.

In februari komt het derde seizoen van House of Cards uit, met opnieuw Kevin Spacey als de meedogenloos ambitieuze Underwood, inmiddels opgeklommen tot president. Over de inhoud van de nieuwe episodes is nog vrijwel niets bekend. Maar reclame voor de Amerikaanse democratie, of de democratische staatsvorm in het algemeen, zal het populaire programma nooit worden. Daar zal niemand om treuren, want deze gitzwarte karikatuur van de werkelijkheid is heerlijk amusement. De beste reclame voor democratie zouden functionerende democratieën in de échte wereld moeten zijn. Alleen: dat is steeds minder het geval.

Dit jaar zullen er verkiezingen worden gehouden in onder meer Sri Lanka, Griekenland, Nigeria, Israël, Egypte, het Verenigd Koninkrijk, Turkije, Mexico, Afghanistan, Polen, Wit-Rusland, Spanje en Venezuela. In Nederland wordt (op 18 maart) gestemd voor de Provinciale Staten – en daarmee indirect voor de Eerste Kamer.

In hoeveel van deze gevallen zal écht sprake zijn van democratie in actie? Streep zelf maar af. Ook als onafhankelijke waarnemers tot de conclusie komen dat er geen stembusfraude heeft plaatsgevonden: in hoeveel gevallen kunnen we zeggen dat wérkelijk de stem van het volk heeft geklonken? Dat alle meerderjarige burgers gelijke mogelijkheden hebben gehad om hun stem uit te brengen? Dat ze ook invloed hebben gehad op de kwesties die op de politieke agenda stonden? Dat ze wisten waar ze voor kozen? Dat ze zich, voor ze hun stem uitbrachten, voldoende hebben kunnen informeren over de vraag welke keuze het meest in hun belang was? In hoeveel landen uit het bovenstaande lijstje kun je straks zeggen dat het volk dus een beslissende invloed heeft op het landsbestuur – wat democratie toch zou moeten zijn?

De Verenigde Staten moeten nog een jaar wachten voor ze een nieuwe leider mogen kiezen. Maar de campagnes van de presidentskandidaten zullen dit jaar al op gang komen. Al vele jaren maken Amerikaanse commentatoren en activisten zich zorgen over het democratische gehalte van hun politieke stelsel: over de lage opkomst, over de invloed van grote geldschieters en andere belangengroepen, over de grillige manier waarop kiesdistricten worden getekend om de kans op verrassende uitslagen te elimineren (‘gerrymandering’), over de vrijwel permanente politieke impasse in het Congres, over het gebrek aan democratische controle op de activiteiten van de CIA en de NSA, etc. etc.

En nu bestaat er een serieuze kans dat straks opnieuw een Clinton (Hillary) en een Bush (Jeb) met elkaar zullen strijden om het presidentschap. Hebben deze twee dynastieën zich dan zo’n sterke positie verworven dat concurrenten bijvoorbaat op achterstand staan? Hoe democratisch is dat?

Hoop en charisma

Een kwart eeuw geleden, rond het eind van de Koude Oorlog, was democratie een begrip vol hoop en charisma. Een staatsvorm en ideaal tegelijk. Het Westen beschouwde het als exportproduct – dat gretig werd omarmd in landen die lang onderdrukt waren geweest. Democratie had de toekomst, en als landen eenmaal democratisch waren, dan konden ontwikkeling, stabiliteit en verbetering van de levensomstandigheden niet ver achterblijven.

Met het begrip democratie wordt nog altijd veel geschermd, maar veel van dat enthousiasme is vervlogen. In traditionele liberale democratieën in het Westen is de onvrede met de eigen democratische instellingen sterk toegenomen – en in de nieuwe democratieën in Midden- en Oost-Europa trouwens ook. Hoe kan van een democratie sprake zijn als de betrokkenheid van de burgers zo gering is, vragen critici zich op allerlei manieren af. Zijn de bestaande politieke partijen nog wel in staat om vorm te geven aan de politieke wensen en voorkeuren van de burgers? Zijn verkiezingen eigenlijk nog wel een bruikbaar instrument? „Er is iets vreemds aan de hand met de democratie”, schrijft David van Reybrouck in zijn boek Tegen verkiezingen (2013), „iedereen lijkt ernaar te verlangen, maar niemand gelooft er nog in.”

Dat invoering van democratie niet een toverformule is, waarmee een land via de stembus in één klap op de goede weg kan worden geholpen, is de afgelopen jaren vooral pijnlijk duidelijk geworden in Afghanistan en Irak. Als verkiezingen niet plaatsvinden binnen een functionerende staat, en als er niet een minimum aan vrijheid, veiligheid en recht heerst, hebben de burgers er weinig aan. Dan wordt de stembusgang wat ze van oudsher is in autoritair bestuurde landen: een leeg ritueel, dat alleen naar uiterlijke vorm aan democratie doet denken.

In Rusland zijn de democratische vrijheden de afgelopen jaren flink ingeperkt. In China blijft de leiding democratisering zien als een recept voor chaos en anarchie. En in de Arabische wereld heeft de zogenaamde ‘Arabische Lente’ (en waar die op uitgelopen is) de weerzin van regeringen tegen het idee van democratie alleen nog maar vergroot.

Perspectief voor bevolking

Maar juist die angst, bij autoritaire leiders van allerlei pluimage, suggereert dat democratie toch nog altijd grote kracht kan hebben. Als middel om machthebbers de deur te wijzen, is democratie bijvoorbeeld nog altijd populair.

Ondanks alle gebreken waarmee democratieën in de praktijk kampen, blijft democratisering in grote delen van de wereld voor de bevolking een heel aantrekkelijk perspectief. Zie bijvoorbeeld de studenten in Hongkong, die zich niet wilden neerleggen bij de ‘geregisseerde democratie’ die Beijing voor ogen heeft. Zie ook de Afghanen die ondanks dreigementen van de Talibaan afgelopen voorjaar toch deelnamen aan de presidentsverkiezingen. Dat er later op grote schaal gefraudeerd bleek te zijn, en dat de twee uiteindelijke kandidaten het zonder tussenkomst van de Amerikanen niet eens waren geworden over de uitslag, was diep triest. Maar het deed niets af aan de democratische bezieling die al die Afghaanse kiezers hadden getoond.

Democratie in de praktijk toonde ook Indonesië, waar afgelopen jaar voor het eerst een president gekozen bleek te kunnen worden, Joko Widodo, die niet afkomstig was uit de machtige politiek-militaire elite. Of het reusachtige India, dat erin slaagde zonder grote problemen 550 miljoen mensen te laten stemmen bij de parlementsverkiezingen – met als uitslag een duidelijke keus voor verandering en voor de nieuwe premier Narendra Modi.

Rustig bezit

Democratie is geen wondermiddel om landen vooruit te helpen en ook geen rustig bezit. Die illusies zijn grondig verstoord.

Maar de toegenomen scepsis over democratie die in veel landen heerst, hoeft niet slecht te zijn. Het heeft geleid tot een nuchterder kijk op de mogelijkheden en beperkingen van deze staatsvorm – in het vaak aangehaalde citaat van Churchill: „de slechtste regeringsvorm die er is, behalve alle andere die uitgeprobeerd zijn”.

Om te kunnen overleven, wordt wel de vraag steeds urgenter hoe democratieën zichzelf kunnen ontwikkelen en hervormen. Dat is de grote test, om de geloofwaardigheid van het systeem te redden.