Een buitenaardse schoonheid

Zuinige auto’s hebben de toekomst. Met de nieuwe VW rijdt Bas van Putten 1 op 40. Maar hij is blij met de lege dop.

Van de vijf exemplaren die naar Nederland kwamen, zijn er vier verkocht. Volkswagen moet wel iets heel bijzonders in het vat hebben, dat liefhebbers bereid zijn 115.000 euro neer te tellen voor een plug-in hybride tweezitter met een tweecilinder minidiesel, een lullig elektromotortje en een topsnelheid van 160.

Bijzonder ís de XL1, een 1.18 meter laag ruimtevoertuig met vleugeldeuren en afgedekte wielkasten achter, waar hij zo versmalt dat hij aan een driewieler doet denken. Op de flanken zijn de stroomlijnonvriendelijke spiegels vervangen door camera’s, die de omgevingsbeelden doorseinen naar in de deurpanelen opgenomen achteruitkijkdisplays waar je bij gebrek aan zicht rondom maar blind op moet vertrouwen. Een binnenspiegel heeft hij niet, er is geen achterruit. Maar hij doorklieft de wind als een mes, deze buitenaardse schoonheid met zijn luchtweerstandscoëfficiënt van 0,19, ongekend laag voor een productiemodel.

Dit is de 1-literauto van Volkswagen, vernoemd naar zijn aangekondigde verbruik van 1 op 100. Hij is het geesteskind van ex-VW-opperbaas Ferdinand Piëch, de drijvende kracht achter een reeks technologische innovaties en bijzondere auto’s, waaronder het zuinigheidswonder dat na veel geëxperimenteer de XL1 werd. In 2002 reed Piëch het sigaarvormige eerste prototype van Wolfsburg naar Hamburg met een gemiddeld verbruik van 0,89 liter op 100 kilometer. Hij beloofde voor het eind van het decennium een productieversie op de markt te brengen.

Dat plan liep enige vertraging op. Waarom? Een zuinige auto bouwen is op zich niet moeilijk. Volkswagen bewees met de Lupo 3L al vijftien jaar geleden dat een compacte vierpersoonsdiesel met een verbruik van 1 op 30 maakbaar is. Maar voor de quantum leap naar 1 op 100 moeten massa en luchtweerstand zo sterk omlaag dat het vrijwel ondoenlijk wordt iets tot stand te brengen dat nog enigszins op een normale auto lijkt. Volkswagen kreeg het voor elkaar met gebruikmaking van lichtgewicht materialen en keiharde sanering van ontbeerlijke voorzieningen, op een navigatiesysteem en airconditioning na. De XL1 heeft geen stuurbekrachtiging, zelfs geen zonnekleppen; de kleine inzetvensters in de zijruiten slinger je met de hand open en dicht. En VW maakte hem zo klein mogelijk.

Met dramatische gevolgen. De bagageruimte is nul en binnen is het zo benauwd dat bij regenachtig weer de energievretende airconditioning vaker dan ecologisch wenselijk moet worden ingezet om beslagen ruiten schoon te blazen. De kleine maar verrassend goed zittende bestuurdersstoel is alleen in lengte verstelbaar en een beetje kantelbaar. Voor de bijrijdersstoel, iets naar achteren geplaatst om ongewenst schoudercontact tussen bestuurder en passagier te verhinderen, ontbreekt elke verstelmogelijkheid.

Wasstraatverbod

Desondanks kwam het totaalgewicht op 795 kilo, 500 meer dan Piëchs eerste proefsigaar. Dat is nog exclusief het dik 22 kilo zware laadaggregaat in de ‘kofferbak’, dat voor het opladen uit de auto moet worden getild, een handeling die ik fysiek minder ontwikkelden ontraad. Een publieke laadpaal is met dit systeem taboe en bij dat ongemak voegen zich een wasstraatverbod en een winters krabverbod voor de krasgevoelige plastic ruiten. De Volkswagen XL1 is zo gecompliceerd als het leven zelf.

Maar wat rijdt hij leuk. Met zijn onbeduidende 75 pk wordt de XL1 een opmerkelijk vlotte, handzame auto. De vrees voor extreme geluidsoverlast blijkt ongegrond. Het dieselmachientje ratelt als een opgevoerde brommer, maar binnen lost de herrie op in een charmant ruisende mix van mechanische activiteit en omgevingsgeluiden, dankzij een koets die zo gehorig is dat je de remblokken met boers gesuis over de remschijven hoort vegen. Zelfs als je elektrisch rijdt – wat hij best lang volhoudt – is het alsof je met oordoppen op in de tram zit, gedempt rumoer.

De extreme verbruiksdoelstelling leidde tot een afslankoperatie die een ecologisch prestigeproject per ongeluk in vederlicht amusement veranderde. Met zijn precieze besturing en kart-achtige wegligging rijdt, hoe ironisch, het avant-gardeapparaat als een coupeetje uit de jaren zestig. Voor die verdienste mag dr. Piëch zich op de gezwollen borst slaan. Voor het verbruik minder: met vereende krachten haalde ik 1 op 40, een op zichzelf spectaculaire prestatie die voor Piëch de ultieme nederlaag behoort te zijn. Het is niet eens het halve ei, en mijn geluk een lege dop.