De schoonheid van krullen

In de jaren dertig veranderde Sybold van Ravesteyn van een nieuw-zakelijke in een neobarokke architect. In een monografie over Van Ravesteyn staat hoe dit precies ging.

Het werk van de architect Sy bold van Ravesteyn (1889-1983) geldt als een mooi voorbeeld van kunst die het leven imiteert. Tot begin jaren dertig was Van Ravesteyn, bekend van onder meer de dierenverblijven van diergaarde Blijdorp in Rotterdam, een aanhanger van de rechtlijnige Nieuwe Zakelijkheid. Maar, zo gaat het verhaal, nadat hij in 1932 scheidde en trouwde met zijn dienstmeisje stapte hij, geïnspireerd door de welvingen van zijn nieuwe, tien jaar jongere vrouw, over op neobarok.

In Sybold van Ravesteyn. Architect maakt Kees Rouw geen woord vuil aan dit verhaal. Wel gaat hij uitgebreid in op de scheiding van bankiersdochter Dora Hintzen met wie hij in 1915 was getrouwd en vier kinderen had. Zijn huwelijk was in de jaren twintig een ‘verstandshuwelijk’ geworden, schrijft Rouw, die verschillende gebouwen van Van Ravesteyn restaureerde. Toen Annie van Geelkerken in 1930 als dienstmeisje bij het gezin Van Ravesteyn kwam inwonen, raakte ze al gauw zwanger van de heer des huizes. Dit betekende het einde van Van Ravesteyns eerste huwelijk. ‘Onverwijld verlaat hij op een winterse dag in maart Dora en zijn kinderen en laat slechts één kort, kil briefje op de keukentafel achter’, schrijft Rouw. In de lente van 1931 trouwt hij met ‘het zigeunerachtige dienstmeisje’. Een jaar later bouwt hij in Utrecht een huis dat de eerste omvangrijke uiting is van zijn ‘meer bloemrijke bouwkunst’.

Hoewel de feiten die Rouw geeft over Van Ravesteyns leven en werk omstreeks 1932 een mogelijk verband tussen zijn nieuwe vrouw en zijn verandering in bouwstijl dus niet weerspreken, blijkt het verhaal toch te mooi om waar te zijn. Rouw laat zien dat Van Ravesteyn nooit heel recht was in de leer van het Nieuwe Bouwen. Zo hebben zijn interieurs en stalenbuismeubels uit de jaren twintig al rondingen die vooruitlopen op zijn neobarok. Ook in zijn beschouwingen betoogde Van Ravesteyn dat ‘form-follows-function’-vormgeving onzin is. ‘Er is geen ding uitsluitend volgens formules te vormen’, schrijft hij al in 1925 in een van de artikelen die in Sybold Ravesteyn zijn opgenomen. ‘Elke constructeur beschikt tussen zijn eisen en formules in, over een zekere dosis vrijheid’. Uiteindelijk zou dit inzicht leiden tot de conclusie dat functionalistische vormgeving niet vanzelf ook mooi is. En zelfs in de twintigste eeuw, het tijdperk van de machine, vroeg de mens van de architectuur nog altijd ‘visuele schoonheid’, verklaarde hij in 1937.

Met zijn neobarokke ontwerpen werd Van Ravesteyn het middelpunt van het architectuurdebat. In 1937 organiseerde De 8 en Opbouw, de vereniging van ‘nieuwzakelijke’ architecten, een bijeenkomst waar Van Ravesteyn zijn opvattingen uiteen mocht zetten. Hij verweet zijn collega’s ‘gebrek aan fantasie, kunstenaarschap of vormvermogen’. Hoe de ‘heftige discussie' die op zijn voordracht volgde verliep, meldt Rouw jammer genoeg niet in zijn summiere overzicht van het debat. Wel citeert hij uit een brief van J.J.P. Oud, de pionier van het Nieuwe Bouwen, waarin hij laat weten dat Van Ravesteyns werk doet denken aan ‘de geest van mijn oude tante’.

Ook summier is de behandeling van Van Ravesteyns privéleven. Een echte, klassieke biografie is Van Ravesteyn. Architect dan ook niet geworden: na enkele bladzijden over de jeugd van Sybold van Ravesteyn in Rotterdam en zijn opleiding tot civiel ingenieur in Delft gaat Sybold van Ravesteyn hoofdzakelijk over zijn werk. Nauwgezet beschrijft Rouw hoe Van Ravesteyn pas belangstelling kreeg voor kunst en architectuur toen hij als adjunct-ingenieur van de Staatsspoorwegen de bouw van spoorwegbouwwerken leidde. In zijn vrije tijd begon hij meubels te ontwerpen, die eerst de invloed van de Amsterdamse School lieten zien en vervolgens van De Stijl. Ten slotte ontwikkelde hij in de jaren twintig, toen hij naast zijn werk voor de Staatsspoorwegen een eigen architectenbureau begon, een eigen vorm van Nieuwe Bouwen die ten slotte uitmondde in ‘Nederlandse neobarok’.

Zijn neobarokke periode eindigde in de Tweede Wereldoorlog. Als zoveel architecten werd Van Ravesteyn toen lid van de Kultuurkamer die door de Duitse bezetters was ingesteld om het Nederlandse kunstleven te controleren. Maar ‘fout’ was hij volgens Rouw niet. Ondanks het feit dat zijn tweede vrouw de zus was van de medeoprichter van de NSB Kees van Geelkerken is er ‘geen enkele aanleiding voor verdenking van nationaal-socialistische sympathieën en activiteiten’, schrijft hij

Tijdens de wederopbouw werd Van Ravesteyns ‘ongebreidelde zwierigheid en frivoliteit’ niet langer op prijs gesteld. Soberheid was troef en Van Ravesteyn werd een eclecticus. De benzinestations die hij voor Purfina ontwierp waren bijvoorbeeld meestal ‘modern’, maar zijn kerk ‘De Hoeksteen’ in Emmeloord uit 1952 is gebouwd in de traditionalistische stijl van de Delftse School. Zijn naoorlogse spoorwegstations in Nijmegen en Hoek van Holland noemt Rouw ‘italianiserend’ – Van Ravesteyn was een bewonderaar van Marcello Piacentini, de opperarchitect van het fascistische Italië. Ook voor zijn Centraal Station in Rotterdam uit 1957 keek hij goed naar een Italiaans voorbeeld: Termini in Rome.

Van Ravesteyns Centraal Station is inmiddels afgebroken. Dit is een lot dat een groot deel van zijn oeuvre heeft getroffen. Veel van de seinhuizen, stations en watertorens zijn gesloopt en van zijn benzinestations is er slechts één behouden gebleven. Daarom zijn de meeste van de tientallen afbeeldingen in Van Ravesteyn oude zwart-wit foto’s. Zelfs van de Kunstmin, het onlangs prachtig gerestaureerde theater in Dordrecht, zijn slechts een paar nieuwe kleurenfoto’s opgenomen.