Assad komt weg als het ‘minste kwaad’, een grote vergissing

Bashar al-Assad is de rehabilitatie voorbij. Hij verdient geen plek in de coalitie tegen IS. Zolang hij president is, groeit het extremisme, meent Marcel Kurpershoek.

De vernielde ingang van de al-Dukhaneya wijk bij Damascus, Syrië, oktober 2014.
De vernielde ingang van de al-Dukhaneya wijk bij Damascus, Syrië, oktober 2014. Foto Reuters

In Syrië heeft de Midden-Oostenproblematiek een giftig hoogtepunt bereikt. Geen explosie, maar een meltdown. Dodelijke elementen voeden de vernietiging van maatschappijen, tradities, vreedzame verbanden, economieën en toekomstige generaties. Miljoenen kinderen gaan niet meer naar school. Anderen worden door IS tot jihadisten opgeleid. We weten niet hoe we deze brand moeten bedwingen.

De geest van sektarische haat is uit de fles. Despoot Assad doet of hij secularisme verdedigt en terrorisme bestrijdt. In IS-gebied keerde in naam van de soennitische islam kruisiging terug. Onthoofdingen, steniging en vrouwenverkoop zijn er bijna routine. Het ergste van Irak versterkt het ergste van Syrië en andersom. Het Midden-Oosten is op weg een zwart gat te worden dat de rest van de wereld opzuigt.

Allereerst buurlanden, met miljoenen vluchtelingen. Ten tweede de landen met vrijwel geen Syrische vluchtelingen – Iran en Saoedi-Arabië – die de gebeurtenissen als ideologische en geopolitieke strijd zien. Percepties, maar nog gevaarlijker dan de werkelijkheid. Binnen deze ketel woedt nog een andere brand: van landen met een soennitische meerderheid die de Moslimbroeders als het grote gevaar beschouwen en weer andere landen met een soennitische meerderheid die het tegengestelde standpunt huldigen. In deze categorie vallen onder meer Egypte, Turkije, Qatar, Saoedi-Arabië. In sommige landen worden minderheden door de heersende klasse onderdrukt. Het tegenovergestelde, minderheden die meerderheden onderdrukten, gebeurde in Syrië en daarvoor in Irak. Het excuus werd geleverd door de seculiere ideologie van de Baath-partij.

De sterkste mogendheden in het gebied zijn Turkije en Iran. Alleen die gedachte zou voorheen al ondenkbaar zijn. De Baath-partij in Syrië en Irak streed om voorrang met Egypte als kampioen van het Arabisch nationalisme. Inmiddels is er vrijwel niets meer over van het Arabisch nationalisme waarvan de Egyptische leider Nasser kampioen was. De vrees van de Arabische nationalisten is uitgekomen. Hun sleutelwoorden waren ‘Israël’ en ‘de Palestijnse zaak’. Nu draait het weer om de voormalige meesters van het gebied, Turkije en Iran, die wedijveren om invloed. De ene is het Ottomaanse soennitische kalifaat van weleer, de andere zijn sjiitische concurrent. Met één verschil: Iran ging agressief te werk door van Hezbollah zijn plaatsvervangende troepenmacht in Libanon te maken en Assad te helpen om in Syrië zijn eigen volk te vermoorden. Turkije reageerde en raakte ongewild betrokken toen inmiddels bijna twee miljoen Syiërs naar Turkije vluchtten voor Assads aanvallen op de burgerbevolking. In het Midden-Oosten zijn geschiedenis en geopolitiek heviger terug dan ooit.

Welk land in de regio kan een bemiddelende rol spelen? Egypte heeft nog altijd een vakbekwame diplomatieke dienst. Maar economisch en politiek wordt het door eigen problemen in beslag genomen en het eens zo bruisende intellectuele leven, de pers en de kunst, is in verval. Saoedi-Arabië bevindt zich te ver buiten de Arabische culturele hoofdstroom om deze rol ook buiten de Golfregio op zich te nemen en ontbeert relaties met Damascus. Egypte steunt onder Sisi niet de Moslimbroeders in Syrië. Maar het is ook tegen een toename van de politieke sjiitische macht van het Iraanse geopolitieke project – tashayyu’ (de sjia als politiek-religieuze beweging) – in de traditionele centra van soennitische heerschappij. Egypte zou bovendien een rol kunnen spelen om de cyclus van geweld in te dammen: het leggen van de basis voor een moderne, verdraagzame en humanistische soennitische islam. Al duizend jaar is de al-Azhar-universiteit het traditionele centrum van soennitische geleerdheid. In theorie verwerpt de Azhar religieus extremisme. Maar in de praktijk waait de Azhar mee met de politieke wind. Met vrijheid van godsdienst en meningsuiting is het in Egypte even beroerd gesteld als voorheen en atheïsme wordt ook door de instanties beschouwd als ‘een ziekte’. Aan mooi klinkende beginselen geen gebrek: wel aan een uitvoering die nieuw elan toont. Dat blijft beperkt tot dappere individuen. In het hele Midden-Oosten lijken de heersende klassen én de verdrukten maar één zorg te hebben: hoe te overleven en de eigen beperkte belangen voor de volgende dag te beschermen.

Buiten de regio en buiten Turkije en Iran zijn er de nog grotere mogendheden: Rusland, China, de VS – en moeten we ook de EU nog noemen, die vooral de ‘zachte’ grootmacht is? Voor hen zijn de gebeurtenissen in het Midden-Oosten onderdeel van een veel groter geheel. Dusdanig dat het de regio ook niet heeft geholpen.

Genoeg over geopolitiek. Behoort het menselijke leed niet op de eerste plaats te komen? Alleen in Syrië al meer dan tweehonderdduizend doden – vooral door toedoen van Assad. Syrian Network for Human Rights schat het aantal gedwongen verdwijningen op 85.000 en het aantal gedetineerden op 215.000. De helft van de bevolking van ruim twintig miljoen is ontheemd, miljoenen vluchtelingen, een ingestorte infrastructuur. Wederopbouw zal over de 100 miljard dollar kosten. Geld dat er niet is. Intussen wordt in Syrië, in iets mindere mate Irak, de voedingsbodem voor extremisme geboren uit wanhoop.

Ik zal nooit vergeten wat ik minister Kerry hoorde zeggen. In Montreux, februari, aan het begin van een mislukte conferentie: „Als Assad het heeft over het voorgaan in de strijd tegen het terrorisme, dan is het wel zo dat Assad zelf de grootste magneet voor het terrorisme ter wereld is.” En, vorig jaar januari, in Koeweit: „Het mag niet zo zijn dat we hier over een jaar weer staan en miljarden moeten toezeggen vanwege een onopgeloste politieke crisis.” Nou, hier staan we dan, een jaar later. Niet alleen zijn de kosten van de humanitaire crisis opgelopen. Daarnaast hebben we de enorme kosten van de luchtcampagne tegen IS. De economische en menselijke kosten zijn almaar verder gestegen. Ondanks de grote inspanningen van eerdere VN-gezanten en nu van De Mistura wachten we nog altijd op de echte flexibiliteit om de politieke oorzaken aan te pakken.

Assad de grootste magneet voor het terrorisme? Het lijkt steeds handiger om te vergeten wat er in het verleden is gezegd, dat Assad weg moet. Gerechtigheid en verantwoordingsplicht ook in overgangssituaties, niet zo lang geleden nog pijlers van ons crisisconcept, zijn stilzwijgend in onbruik geraakt. Ze zijn, tja, hoe zullen we het zeggen: in een plotselinge nieuwe tijd van Realpolitik een tikkeltje naïef geworden? Kerry sloeg de spijker op de kop. Maar de accenten zijn verschoven. Pleitbezorgers van het ‘minste kwaad’ (Assad) hebben terrein gewonnen. Terwijl in Irak een politiek kader ontstaat, is dit in Syrië niet het geval. Als het ‘grootste kwaad’ IS is, valt daar weinig tegenin te brengen. Niemand ziet liever dat kalief Al-Baghdadi gebeden in Damascus leidt, met achter hem Assads hoofd op een paal. Maar dat wil niet zeggen dat we moeten terugkomen op ons beleid en Assad een plaats moeten geven in de coalitie tegen IS.

Realpolitik is vragen waartoe Assads leger nog in staat is – zonder hulp van Hezbollah en de Shabiha-bendes die zich niet beter gedragen dan het al-Nusra-front. Moreel is het uitgesloten om weer maatjes te worden met een van de grootste hedendaagse oorlogsmisdadigers: Assad is de rehabilitatie voorbij. Ook al worden zijn misdaden in het donker gepleegd, terwijl IS ermee pronkt – de misdaden van Assad zijn tot in detail bekend.

Eenvoudig gesteld: als we het minste kwaad zouden kiezen, lopen we met open ogen in de val die Assad en zijn Iraanse en Russische bondgenoten tijdens de onderhandelingen in Genève hebben opgesteld. Die val is de stelling dat de opstand van buitenlandse oorsprong is – geen revolutie die tot de Arabische lente behoorde – en dat vijandige landen Syrië onder een jihadistisch salafistisch juk wilden brengen. Het was kortom een buitenlands complot onder leiding van islamisten en hun buitenlandse mentors die graag minderheden willen afslachten. Dit is een flagrante leugen. Misschien dacht Assad zo weg te komen met het beschieten van vreedzame demonstranten. Zijn vader, Hafez, gaf het voorbeeld in de vroege jaren tachtig toen ik in Damascus geplaatst was. Bij een opstand van de Moslimbroeders werden toen duizenden gedood. Ik werd aangemaand me te concentreren op de Syrische rol in Libanon en een mogelijke Syrische deelname aan het vredesproces met Israël. Wat de dictator met zijn bevolking deed, boeide kennelijk minder. We moeten oppassen dat we nu door de IS-bomen het Syrisch-Iraakse bos niet meer zien.

Ik wil dit nog maar eens herhalen: trap niet in die val. Terrorismebestrijding kan een hulpmiddel zijn, maar het is geen strategie om Syrië te stabiliseren. Dat zal niet gebeuren zonder een politieke routekaart – en steun daarvoor van de belangrijkste sponsors zoals Rusland – en een overeengekomen procedure voor het aftreden van Assad. Het alternatief is blijvende onrust, dood en vernietiging, en een verdere opkomst van extremistische groeperingen. Zoals de verdwenen activiste Razan Zeituneh schreef: „Syriërs zullen niet vergeten dat de internationale gemeenschap het regime dwong de chemische wapens te ontmantelen, maar niet kon dwingen het beleg op te heffen tegen een stad waar kinderen dagelijks van de honger omkwamen.”

Met Assad aan het roer is een toekomst voor Syrië als herenigd land onmogelijk. Eens komt misschien de dag dat Rusland en Iran inzien dat het in hun belang is om naar verandering te streven. Als het zover komt en zij willen met de eer gaan strijken – prima. Het belangrijkste is dat er iets in werking wordt gesteld, hoe dit ook verkocht mag worden.

Correcties en aanvullingen

Assad niet erger dan IS

De kop ,,Assad is erger dan kalifaat’’ op de voorpagina van Opinie en Debat (NRC za. 3 jan.) en de zelfde zin in de ankeiler op pagina 3 is een onjuiste weergave van het betoog. De auteur Marcel Kurpershoek stelt niet dat Assad erger is dan het kalifaat maar dat Assad door zijn oorlogsmisdaden verantwoordelijk is voor het ontstaan van de huidige situatie en geen onderdeel kan zijn van de oplossing en geen plaats verdient in de coalitie tegen het kalifaat.