Voorzichtig leg ik m’n iPhone op Jezus’ tombe

Op Israël is altijd veel kritiek, maar het afgelopen jaar kwam die zelfs van de trouwste bondgenoten. Schrijver Daan Heerma van Voss besloot er zijn kerstvakantie te vieren. Hij stelde zich de vraag: wat voor land is Israël voor een buitenstaander?

Foto EPA

8-12. Amsterdam – Israeli Airspace

Een bevriende stewardess zei me dat vliegen met El Al het luchtvaartequivalent is van met een schietschijf op je rug door oorlogsgebied rennen. Ik had andersom geredeneerd. Hoe beter geïnformeerd de geheime dienst van het desbetreffende land, hoe beter de vliegtuigmaatschappij op de hoogte is van de risico’s van haar vluchten. El Al, in de rug gesteund door de Mossad, wist bijvoorbeeld al lang dat het gevaarlijk was om over het deel van Oekraïne te vliegen waarboven de MH17 werd neergeschoten. Op elke El Al-vlucht zijn verder ten minste vier ex-militairen van het Israëlische leger aanwezig, tegen mogelijke kapingspogingen. Elk van hun vliegtuigen maakt gebruik van een raketafweersysteem. Zo’n systeem kost bijna veertig miljoen dollar per stuk.

9-12. Givat Brenner I

De eerste nacht slaap ik op een kibboets in Givat Brenner, tussen Tel Aviv en Jeruzalem. Er is een traditionele tweedeling tussen de Holocaustoverlevers die naar Israël zijn geëmigreerd en de kibbutzniks, die in het begin van de twintigste eeuw naar het nog niet tot land uitgeroepen beloofde gebied Israël zijn vertrokken, en aldaar hun leefgemeenschappen, de kibbutzim, hebben opgebouwd. Nog altijd worden felle discussies gevoerd over welke van twee oergroepen het meeste recht heeft hier te wonen, kortom, wie Joodser is.

De kibboets is een stelsel van kleine huisjes met voortuinen. Daken van golfplaat. Wat direct opvalt is de sfeer van gemeenschappelijkheid, die tegelijk bevrijdt en benauwt. De lucht is dik en vochtig. Ik kijk veel en lang naar het luchtruim. Alsof ik wacht op ongeluk.

10-12. Tel Aviv

Ik rijd weg van de kibboets. Zwerfkatten en -honden patrouilleren onophoudelijk. Bij de bushalte staat een eenzame soldaat in een bruin uniform, een machinegeweer hangt om zijn schouder, en hij speelt met zijn iPhone, net als ik. In Tel Aviv ontmoet ik schrijver Nir Baram, die twee jaar geleden furore maakte met zijn roman Goede mensen. Overtuigend vertelt hij me over de impasse waarin zijn land verzeild is geraakt. Hij heeft het over een depressie, die zich zowel economisch als psychologisch laat gelden. Wel noemt hij Israël een democratie.

Een vertaler die ik later op de dag spreek, rept van een ‘etnische dictatuur’, met alleen Joden als eersterangs burgers. Het is moeilijk om door te dringen tot die zin. De caissières hier zijn allemaal van Noord-Afrikaanse afkomst, maar goed, als je in Amsterdam een McDonald’s binnenstapt tref je ook geen dwarsdoorsnede van de samenleving. Het verschil is: Nederland is ons niet beloofd, maar gegeven. In beloftes mag geen ongelijkheid zijn.

11-12. Jaffa

Op een vlooienmarkt in Jaffa vind ik, tussen de lappen en de schoteltjes, een Engelstalig boek dat Existential phenomenology heet. De eigenaresse van de kibboets vertelde vanochtend dat enkele maanden geleden vlak naast mijn huisje een raket viel. Ze veegde het schroot op. De buren boden 1.000 shekel voor het schroot, zo’n 170 euro, maar ze wilde het niet kwijt, de waarde ervan zou ongetwijfeld sterk toenemen.

Mijn jeugd is als een veilige droom geweest. En toch zijn wij Nederlanders zo vaak bang. Misschien is het de veiligheid die ons bang heeft gemaakt. We hebben zo weinig meer te winnen dat het lijkt alsof we alleen nog dingen te verliezen hebben. Op pagina 332 van het boek lees ik dat Martin Heidegger het abstracte gegeven vrees onderscheidt van het concrete begrip angst. Men wordt hier dagelijks geconfronteerd met zo veel angst, dat vrees simpelweg ophoudt te bestaan. Onze angst is een veilig tijdverdrijf, een decadente sport.

12-12. Givat Brenner II

Het begint met een zachte, maar doordringende bromtoon. Misschien een geluid in mijn droom. Maar het schudden houdt niet op. De droom droogt langzaam op. Mijn ogen gaan open. Het water in het glas op het nachtkastje rimpelt filmisch. De deuren beginnen te schudden, de scharnieren kraken. Het geluid drukt alle andere geluiden weg, de ramen lijken elk moment te kunnen springen. In de verte klinkt een zeurderig alarm. Ik ken het geluid van vliegtuigen, maar dit is anders. Explosiever, krachtiger. Straaljagers. De hemel deint, de luchtdrukstoten komen neer op de huisjes. Maar na een minuut of tien draai ik me weer om. Misschien is dat hoe een Israëliër denkt: hij valt of hij valt niet, maar je kunt niet eindeloos wachten op de bom.

Het blijkt om een legeroefening te zijn gegaan. In de buurt bevindt zich een legerkazerne.

13-12. Jeruzalem I

In Amerika is een decennium aan historie al veel, in Europa spreekt men liever over eeuwen, in Jeruzalem voel je de zwaarte van millennia. Tegen het vallen van de sabbatsavond sta ik voor de Klaagmuur. ‘Zet ’m op God’, heeft Mulisch ooit op het papiertje geschreven dat hij tussen de stenen duwde. Grote lampen belichten de matgele stenen, keppeltjes zijn verplicht. Een kwartiertje later, ergens in de wirwar van straatjes, kijk ik neer op een groep gearmde jonge mannen en vrouwen. Het is het beste antwoord op bommen en luchtalarmen: ze dansen en vormen een cirkel van gelach en gezang die zomaar eeuwen zou kunnen voortduren.

Die nacht laat ik mijzelf dronken voeren. Overdekte marktstraatjes herbergen de beste cafés, jonge mensen die het einde van de sabbat vieren met tequila, pijpenkrullen achter kopjes espresso. Een jongen van ongeveer twintig jaar drinkt met een machinegeweer over zijn schouder. De serveerster legt uit: een soldaat die denkt dat het stoer is om ook in zijn vrije tijd met dat ding rond te lopen.

14-12. Yad Vasjem

Met een kater naar Yad Vasjem, het sancta sanctorum van het herdenken. Tegelijk met mij wordt een groep Israëlische militairen rondgeleid. Hitler tettert in mijn tourguide-oordoppen. Ik versta hem woordelijk. Wat lijkt Duits toch op Nederlands. Naast me staat zo’n jonge landssoldaat. Ik schaam me. Het betreden van wat ik maar de Dodenkamer noem, een soort ronde troonzaal met kasten als muren, kan alleen omschreven worden als een bijna-religieuze ervaring. Ontzagwekkende zwarte mappen met alle zes miljoen in de Oorlog vermoorde Joden. De stilte is overal. Yad Vasjem heeft ook een giftshop. Het merkwaardigste item: een T-shirt met gekruiste machinegeweren en de tekst: Guns and Moses. Iemand wijzen op de ironie voelt ongepast.

15-12. Dode Zee en Masada

Na een uurtje te hebben rondgedobberd op de Dode Zee rijd ik naar de ruïnes van Masada, het laatste Joodse bolwerk in Judea, tot de Romeinen het in 73 na Christus, na een lange belegering, veroverden. Via het Slangenpad, dat naamsgetrouw de berg bekronkelt, wandel ik naar boven.

Mijn lippen zijn gebarsten van het zout. De lucht is ijl. Boven aan het pad staat een steenbok. De ijzeren wilskracht die de Joden moeten hebben gehad, om zich jaren achtereen op dit dorre bergplateau te verschansen, uitkijkend over eindeloze vlakten, continu belegerd. The Sopranos, seizoen 1. Tony en zijn crew moeten een Jood genaamd Ariël, sterk als een stier en koppig als een ezel, zover krijgen in te stemmen met een scheiding. Ariël, lam gevochten, vraagt: „You ever heard of the Masada? For two years, 900 Jews held their own against 15.000 Roman soldiers. They chose death before enslavement. The Romans? Where are they now?” Tony: „You’re looking at them, asshole.” Ik denk dat weinig Israëliërs deze scène kunnen memoreren.

16-12. Jeruzalem II

Voorzichtig leg ik mijn iPhone op Jezus’ tombe. Nu is het ding officieel heilig (maar nog steeds traag). Ik ben atheïst, maar ik geloof in Steve Jobs. Daarna beklim ik in mijn auto de Olijfberg. Tweemaal een verkeerde afslag en ik ben in Oost-Jeruzalem. Voor het eerst tijdens mijn bezoek heb ik het gevoel dat ik recht voor me uit moet blijven kijken. Israëlische soldaten in Hurt Locker-pakken staan op straathoeken, kinderen klampen de auto aan, mannen schreeuwen me na, ik volg een VN-wagen. Iemand pakt een steen, maar niemand werpe de eerste. Ze zien dat ik een westerling ben.

’s Avonds vier ik Chanoeka bij een orthodox- joods gezin. Er wordt gezongen, het tweede kaarsje wordt opgestoken, ter ere van de wonderen die het oude volk ten deel zijn gevallen. „Maar eigenlijk gaat het feest om assimilatie”, zegt de moeder. „De Grieken wilden ons doen assimileren, maar het is ze mooi niet gelukt.” Hun wereld is zo anders dan de mijne. Angst en dreiging zijn de kernbegrippen. „Elke Arabier is een potentiële moordenaar”, zegt de vader. Ooit zal de westerse wereld tegenover de moslimwereld komen te staan, iedereen zal moeten kiezen. „Jullie en wij vechten tegen hetzelfde monster, alleen bij ons is het wat verder opgerukt.” Eens te meer blijken uitverkiezing en minderwaardigheidscomplex in elkaars verlengde te liggen. Ook de westerse media zijn vijanden geworden. „Als nine eleven vandaag de dag in Israël zou plaatsvinden”, zegt een studerende dochter, „dan zou CNN spreken van een ongeluk waarbij acht Saoedi’s zijn omgekomen”.

Israël is boven alles een land waar je thuishoort. Of niet, zoals ik. Onoverbrugbare menscategorieën, al eten we vanavond allen latkes en berlinerbollen. „Waarom verhuizen jullie niet?” Mijn reis sublimeert tot deze vraag. Het is lang stil. De vader schudt het hoofd: „Vraag je soms een vis, waarom hij de zee verkiest?” Als ik tweeduizend jaar zou hebben moeten wachten op de Terugkeer, zou ik dan durven klagen als de werkelijkheid problematisch bleek?