Van het oude uitgeven, en wat voorbij is

Wanneer Gerard van het Reve begin jaren zestig in villa Jagtlust rondloopt, op zoek naar wat laatste druppels alcohol, moet hij plassen. Hij ziet een leeg glas staan en pist dat vol om het na een tijdje zonder een spier te vertrekken in één teug leeg te drinken. ‘Dan moet je toch heel veel van jezelf houden’, concludeert oud-uitgever Theo Sontrop wanneer hij het verhaal vertelt aan Onno Blom. Het is een van de vele anekdotes die hij in De conversationalist. Insulaire gesprekken met gentleman en ex-uitgever Theo Sontrop aanhaalt. Weinig mensen zullen voorlopig het boekje lezen, want het is een geschenk van de Singel 262 uitgeversgroep ter gelegenheid van de jaarwisseling. Dat is jammer want er staan niet alleen leuke anekdotes met droge Sontrop-conclusies in, maar ook veel interessants over uitgeven toen en nu.

Eerst de geschiedenis: Theo Sontrop belandde in 1968 na enkele omwegen bij uitgeverij Meulenhoff. Hij werd er hoofdredacteur en gaf het fonds ‘weer een fris aanzien’ door nieuwe auteurs als Philip Roth, Rudy Kousbroek en Maarten Biesheuvel binnen te halen. Vier jaar later maakte hij de overstap naar De Arbeiderspers, waar hij een einde maakte aan het uitgeven van ‘flutboeken’ (tenzij er een gegarandeerde boekenclubafname was). Blom: ‘Sontrop bleek niet bang om boeken uit te geven waarvan hij wist dat hij er maar weinig zou verkopen. Als hij er plezier in had, dan deed hij het.’ Het was een tijd waarin auteurs nog trouw bleven aan hun uitgeverij en uitgevers nog geen ‘roofridders’ heetten.

De zogeheten roofridderij komt op in de jaren tachtig, tevens de periode waarin het economische tij tegenzat en waarin uitgeefconcerns strengere winsteisen gingen stellen. Het was het begin van het einde van het echte uitgeven, meent Sontrop: „Geldwolverij heeft de literaire uitgeverij in de greep gekregen, waardoor het er niet leuker op is geworden.” De Arbeiderspers, een van de uitgevers van Singel 262, krijgt ervan langs („Het meeste wat daar de afgelopen jaren verscheen, wil ik nog met geen tang aanpakken”). Hetzelfde geldt voor het WPG-concern, waar Singel 262 tot deze zomer bij hoorde („De huidige malaise in de vaderlandse uitgeverswereld is het gevolg van de vermaledijde schaalvergroting”), en voor de oud-directeur van WPG Pieter de Jong („die man was zo koud als een kikker in een blok ijs”). Opmerkelijk dat de Singel 262 uitgeversgroep zo vrolijk een geschenk uitdeelt waarin het door de mangel wordt gehaald. Hoewel: door de verzelfstandiging zal de Singel 262 uitgeversgroep zich – zo lijkt de boodschap – weer een ‘herkenbaar literair gezicht’ krijgen, want „dat is, dames en heren, de kern van de zaak.”