‘Superb vertellen is niet voldoende’

De invloedrijkste recensent ter wereld, James Wood van The New Yorker, was in Nederland. Een gesprek over tv-series, de Bijbel, verhalen en details. „Ik wil niet de laatste criticus zijn.”

James Wood: ‘Fictie is verleidingskunst. De schrijver vraagt je hem te geloven, maarhet hoeft niet.’
James Wood: ‘Fictie is verleidingskunst. De schrijver vraagt je hem te geloven, maarhet hoeft niet.’ Foto Rien Zilvold

Details! De lezing die de Britse criticus James Wood begin december hield op uitnodiging van De Gids, is kort samen te vatten als een lange lof van het literaire detail, van Tsjechov tot Saul Bellow. Vrijwel de hele Amsterdamse literaire wereld was uitgelopen voor Wood, die sinds enkele jaren de belangrijkste recensent is van The New Yorker. Twee jaar geleden verscheen Hoe fictie werkt, een Nederlandse vertaling van zijn invloedrijke How fiction works (2008).

Wood, geboren in 1965 en opgegroeid in een streng christelijk milieu in Groot-Brittannië, pleitte voor attentiveness: kijken, lezen en luisteren met aandacht. Daarbij hoeft een mens zich niet te beperken tot boeken. Gevraagd naar zijn literaire oer-ervaring noemde hij geen schrijver, maar kroop hij achter de op het podium staande vleugel en speelde, met horten en stoten, een stukje Brahms en een stukje Pink Floyd.

Zijn lezing was het soort verhaal dat je doet verlangen naar een avond bij de boekenkast, om alle door hem genoemde verhalen meteen helemaal te lezen. Hij heeft een groot vermogen om zijn lezers mee te nemen in zijn bewondering, al kan hij ook hard zijn. Zo schreef hij in september een zeer kritisch en uitgebreid stuk over The Bone Clocks (Tijdmeters), de bejubelde nieuwe roman van David Mitchell. De recensie leest als het negatief van zijn Gids-lezing: nu gaat het niet om wat hij mooi vindt, maar om wat hem niet bevalt aan het boek van Mitchell – en aan nogal wat andere hedendaagse romans. Lezing en recensie samen vormen de leidraad voor een interview, de ochtend na de bijeenkomst in Amsterdam.

In uw recensie van ‘Tijdmeters’ prijst u Mitchells vertelkunst, maar zet u zich tegelijkertijd af tegen pure verhalenvertellers. Hebben we een ‘storytelling-problem’ in de hedendaagse literatuur?

„Dat denk ik wel. We hebben de opkomst gezien van een groot aantal uitstekende televisieseries, waardoor het mantra nu luidt dat de serie de nieuwe roman is; de veronderstelling dat als de grote negentiende-eeuwse romanciers nu hadden geleefd, ze series hadden gemaakt. Daarmee wordt voorrang gegeven aan een eindeloos vertellen, wat je ook in boeken steeds meer ziet, vooral sinds Harry Potter. Het vermogen om een verhaal altijd maar dóór te laten gaan: steeds met een nieuwe twist, het ene uur televisie na het andere, pagina na pagina. Tijdmeters staat vol met dat soort verhalen. Het is goed gedaan, maar tijdens het lezen had ik het idee dat een soort gemak hier de plaats van de moeilijkheid innam. Aan het slot dacht ik: waarom eindigt het? Het zou nog honderden pagina’s dóór kunnen gaan.”

En dat is een bezwaar?

„Ik mis innerlijke noodzaak. Als ik fictie lees, wil ik iets voelen van de moeilijkheden die de schrijver heeft doorstaan om het juiste woord te vinden, of het juiste plotelement. Een roman moet iets van innerlijke reflectie hebben.”

Maar in uw lezing zong u de lof van het betekenisvolle detail. Een goede verhalenverteller gaat toch gewoon van het ene detail naar het andere?

„Het is ook niet per se in tegenspraak met wat ik gisteren zei. Een goed verteld verhaal kan grote kunst zijn. David Mitchell is een technisch superbe verteller, maar dat vind ik niet genoeg. Henry James schreef ooit dat hij niet van historische romans hield, hij wilde literatuur die the present palpable intimate onderzoekt. Dat zoek ik ook in hedendaagse fictie. Mitchell situeert zijn boeken graag in het verleden of de toekomst. Ik heb een voorkeur voor het heden. Voor romans die onderzoeken wat er met individuen gebeurt onder druk van de interacties met andere mensen. Tijdmeters zit vol mensen, maar er is geen noodzakelijke interactie.”

In uw stuk haalt u een interview met Mitchell aan waarin hij zegt zijn lezers te willen pleieren. Dat lijkt u hem kwalijk te nemen.

„Dat is mijn snobistische, modernistische kant. Ik houd van schrijvers die zich een beetje van de lezer afkeren. Of van een auteur als Karl Ove Knausgard. Die amuseert van begin tot eind, maar tegelijk geeft hij overduidelijk niets om wat de lezer van hem denkt. Schrijvers die hun lezers tevreden willen stellen, wekken mijn wantrouwen. Dat is hoe televisiemakers denken.”

Zo denkt de boekensector toch ook? Het is crisis.

„De boekenindustrie worstelt inderdaad. Dat zie je aan de termen waarin het figuurlijke contract tussen auteur en lezer is opgesteld. Dertig jaar geleden zei je dat een uitgeverij je manuscript had ‘geaccepteerd’, nu zeg je dat je het hebt ‘verkocht’. Niemand schrijft meer een eerste roman, iedereen ‘debuteert’. En de verschijning heet een ‘release’. Die term werd vroeger alleen in de muziekindustrie gebruikt.”

Beïnvloedt dat ook de literaire kritiek?

„Zeker. Het gevoel dat we de buzz, ook zo’n woord, moeten volgen – wordt steeds sterker. Vroeger, toen ik bij The New Republic werkte, kwamen we soms pas maanden na verschijning van een boek met de recensie. De tijdsbeleving van uitgevers is niet noodzakelijk de onze, zeiden we dan. Nu verdwijnt The New Republic als papieren tijdschrift. Mijn grootste angst is niet de vernietiging van de literatuur, maar een grote reductie, tot het punt waarop er van alles maar één is: één grote, geweldige boekwinkel, ergens op een universiteitscampus die alles heeft waar je van zou kunnen dromen – maar geen tweede. Één cultureel tijdschrift, dat zal The New Yorker zijn, dat doet wat het altijd heeft gedaan...”

... en één criticus. Dat bent u dan.

„Ha ha, waarschijnlijk wel. Terwijl er juist op internet veel meer stemmen klinken. Langzaam drijven we weg uit het centrum.”

Moet literatuur in het centrum van de wereld staan?

„Het moet over de wereld gaan. In ben geobsedeerd door het echte, wat iets heel anders is dan literair realisme dat het echte vaak juist lijkt te verpletteren. Voor een genre als fantasy heb ik weinig tolerantie. Ik voel moralistische bezwaren. Het leidt af van het echte, van echte aandacht, echte politiek en echte interactie. Wat ik mooi vind aan de roman is dat die tragikomisch en seculier is. Om dat te worden heeft de roman een gevecht moeten leveren en dat was een goed gevecht. Mensen die door een godachtig wezen worden bewogen, interesseren me niet.”

Daar spreekt de humanist

„En de atheïst.”

Toch lijkt u het gat dat door het geloof is achtergelaten, geheel met literatuur gevuld te hebben. Als ik uw lezing hoor, heeft u een haast mystieke opvatting van literatuur.

„In klassieke zin is de definitie van mystiek: aandacht voor het object, aandacht voor fenomenen. Ik ben een ongelovige die, als je hem naast een radicale atheïst zet, ineens klinkt als een religionist. Maar naast een gelovige klink ik als een dolgedraaide atheïst. Ik zie wel hoe de roman voor mij het religieuze gat heeft gevuld, en voor veel andere mensen vanaf de negentiende eeuw. Op een bepaalde manier is wat wij doen de voortzetting van iets religieus, maar er zijn grote verschillen.”

Wat is het belangrijkste verschil?

„Ik ben streng protestant opgevoed, met een grote nadruk op letterlijkheid. De Bijbel was een domein waar twijfel en scepsis als gevaarlijk werden beschouwd. Fictie is juist verleidingskunst. De schrijver zegt: ik probeer je in mijn verhaal te laten geloven, maar het hoeft niet. Als ik faal, of als je verveeld raakt, kun je het boek dichtslaan en het vergeten. Zo werkt de Bijbel niet. Veel bijbelverhalen zijn in zichzelf goede verhalen, denk aan Koning David of aan Mozes die het Beloofde Land wel ziet, maar niet bereikt. Maar ze krijgen nooit de kans om toevallig te zijn. De karakters handelen namens God en dus moeten al hun daden religieuze betekenis hebben. Voor Thomas Mann was fictie het spel van het not quite. Fictie beweegt zich in de schaduw van de twijfel.”

Een Bijbel zonder geestelijken.

„Vergeet de rol van humor niet. Het Oude Testament bevat nog een zekere dosis zwarte humor, maar het Nieuwe niet. Ons wordt verteld dat Jezus huilt, maar niet dat Jezus lacht. God lacht wel, maar altijd in wrede zin. Een roman kan ons ook uitlachen, maar kan ook met ons en voor ons lachen. Dat is altijd heel belangrijk voor me geweest. Ik heb van jongs af aan om religie gelachen. Zo lachte ik tegelijkertijd om mijn ouders – dat kwam mooi uit. De lach is een wapen tegen de dikdoenerij van veel religie.”

Is dat de reden waarom u zo aan details hecht? De stukjes die u op de piano speelde, waren fragmenten die net vóór het hoogtepunt zaten, juist vóór het moment dat de muziek helemaal losbarst.

„Dat was me niet opgevallen, maar het is een gedachte die me aanstaat: aangeven dat er iets belangrijk is en iets aanwijzen in de buurt, zonder het echte met betekenis te beladen. Iets kan zwanger zijn van betekenis, maar ik houd ervan het toevallig te maken. Dat bevrijdt het detail.”

U laat graag zien wat u mooi vindt.

„Daarin toont zich uiteindelijk de criticus. Negatieve stukken kunnen nuttig zijn, om je principes te laten zien, maar als je niet kunt tonen waarom iets ertoe doet, heeft het geen zin.”

Critici worden vaak poortwachters genoemd, mensen die bepalen of iets tot de literatuur wordt gerekend. Gisteren zei u een hekel aan die term te hebben, maar als ik u over Mitchell lees, lijkt u toch een deur dicht te gooien.

„Wat me niet bevalt aan de term is dat het werk van de criticus ermee wordt geïnstitutionaliseerd. Natuurlijk vindt een recensent iets goed of slecht en dat heeft effect op, in de eerste plaats de schrijver, en daarna op het lot van het boek. Maar daar gaat het niet om. Er moet meer dan één criticus zijn en dan is er ook meer dan één poortwachter. We hebben allemaal ons eigen speelgoedpoortje. In de tweede plaats is het slecht voor een criticus om zich zo te beschouwen. Als ik een boos stuk over Mitchell schrijf, is dat omdat ik worstel met het boek, niet omdat ik invloed op het lot ervan wil hebben.”

Recensenten vinden vaak hetzelfde. Is er een geheime code?

„Jazeker, daarom moeten we op onze hoede zijn en onze conventies onderzoeken. Moby-Dick werd bij verschijning in 1851 niet begrepen. Als ik toen had geleefd, had ik het waarschijnlijk ook veroordeeld als hysterisch realisme met allemaal gedoe over walvissen.”

Herziet u uw oordelen weleens?

„Ik denk dat veel critici graag de ruimte zouden hebben om een boek te hernemen waar ze negatief over hebben geschreven. Soms past het temperament van een schrijver gewoon niet bij het jouwe, dan klinkt het in jouw hoofd niet zo als in het hoofd van die schrijver. Dat had ik met David Foster Wallace, over wie ik kritisch heb geschreven. Dan moet je er meer tijd voor nemen om boven jezelf uit te stijgen.

„Toen ik Knausgaard voor het eerst las, moest ik allerlei weerstanden overwinnen. Aanvankelijk vond ik dat hij de woorden gewoon neersmeet. Het leek geen vorm te hebben, ik vond het narcistisch. Na verloop van tijd begon ik te begrijpen dat ik moest vertragen. Dat is wat grote boeken doen. Ze tonen de lezer hoe ze gelezen moeten worden.”