Rotterdammertjes

Bij het consultatiebureau is het druk en warm. Vaders en moeders lopen in en uit, huilende baby’s worden getroost, een vrouw met rode wangen roept namen af en dwars door alles heen spelen twee peuters hardhandig met een blote pop.

Ik lach even naar de jonge vrouw die in de hoek zit en net als ik een baby op de arm heeft liggen. Ze lacht terug. Het is een mooie lach, vol instinctieve saamhorigheid. Vanonder haar hoofddoek steekt één glanzende krul naar buiten. Een vleugje Katja Schuurman.

„We lopen uit”, zegt de vrouw met de rode wangen tegen een man in pak die bezorgd op zijn horloge kijkt. „Maar we doen echt ons best.” De man in pak zucht. Het is zo’n zucht die precies hard genoeg klinkt om communicatief te zijn. Misschien wil hij duidelijk maken dat hij er weinig vertrouwen in heeft. In het consultatiebureau. In mensen die zeggen dat ze hun best doen. Hij gaat zitten en kijkt nors uit het raam naar de overkant, waar de feestverlichting nog knippert.

Ik denk aan wat er allemaal nog moet met deze kinderen. Wat er allemaal nog komt. Hoe waggelende dreumesen veranderen in slungelige jongens. In langbenige meisjes met slotjesbeugels. In dromers en doeners, denkers of dwaallichten. In mensen met banen, huizen, liefdeslevens. In ouders, die op een dag ook in een zaaltje als dit zullen zitten, hun kinderen op schoot.

De moeder met de Katja Schuurmanlok buigt haar hoofd en kijkt naar haar slapende baby. Nu ze haar gezicht zo draait zie ik de schaduwen onder haar ogen. De blauwe waas waar je nooit op voorbereid bent. De gebroken nachten, de zorgen, de doodsangst waar je voorgoed mee zit opgescheept.

Ik herinner me hoe vreemd ik me voelde toen ik laatst een paspoort ging aanvragen voor mijn zoon. Alsof hij al niet meer helemaal van mij alleen was. Alsof ik hem een beetje uit handen moest geven. Aan een systeem. Een vergaarbak van wetten en plichten en veranderlijke regels. En hoe een oude mevrouw me, zonder het zelf te beseffen, opvrolijkte door luidkeels te roepen: „Ach meid, wat een lekker Rotterdammertje heb jij nou toch gemaakt!”

Eén van de peuters heeft een been van de blote pop afgerukt en kijkt er verbaasd naar. De andere peuter zet het subiet op een krijsen. Een man met een woeste baard snelt toe om de boel te sussen. „Het is niet echt schat, het is maar een poppetje!”

Wat weten ze hier later nog van? Al die dagen en beelden, al die indrukken en gebeurtenissen. Er blijft haast niets van over. Niets waar je nog vat op krijgt. We worden gevormd ver voor we dat weten. Maar er is tijd, denk ik. Steeds nieuwe jaren, steeds nieuwe Rotterdammertjes. Er is nog tijd genoeg.