Onderhandelen met de waarheid

Een betrekkelijke omgang met de waarheid is een kwaliteit die alle katholieken herkennen. Zo ook Vrij Nederland-journalist en katholiek Kees Schaepman. Hij viel van en voor het geloof.

Het katholicisme nam Kees Schaepman toch weer bij de lurven
Het katholicisme nam Kees Schaepman toch weer bij de lurven Foto Thinkstock

Een calvinistische jeugd is a writer’s goldmine, een rijke bron voor een confrontatie met het geloof der vaderen. Maar hoe zit het met een roomse jeugd? Is dat ook een te munten bron van menselijk tekort in een religieus kleedje?

Katholieken blikken nooit uitsluitend terug in boosheid. Er is altijd ook wel iets aanwezig van wat vroeger ‘roomse blijheid’ heette, gesublimeerd tot nostalgie of melancholie. Katholieken, schreef Kees Fens ooit, leefden in de tussentijd, al op z’n minst met één teen in het paradijs, dat gaf aan hun bestaan iets ijls en tegelijkertijd verwachtingsvols. En dat is ook terug te vinden in hun terugkijken. Naast zwart is er ook veel wit, zacht wit, te vinden.

Geldt voor de kinderen van Calvijn het credo: geloof is getob. Het roomse soort is belast met wat je zou kunnen noemen het kerststalletjessyndroom: geloof is geluk, zingende herdertjes, zoetgevooisde engelen, verse worst en kerstbrood op de stille, heilige nacht. Zo heeft de kerk, die verder op allerlei fronten streng, onverbiddelijk en veeleisend is, het in het innerlijk behang van de gelovigen weten te verweven. Vandaar dat katholieken in alle soorten en maten – van ongelovige postkatholieken tot het handjevol belijdenden – altijd op zoek zijn naar de warmte van de stal.

Het kindeke Jezus, de verlosser in spe, is meer iets voor de woordgelovige protestanten. Zij zoeken waarheid, schapen als katholieken zijn, zoeken behaaglijkheid. Dat is de aangeleerde reflex, erfenis van een orthodox geloof dat een kinderleven lang werd verpakt als een lieftallig sprookje, en dat ik als jongetje blijmoedig aanvaardde en met mij vele generatiegenoten.

Tot in je merg

Tegen zo’n achtergrond is het moeilijk eendimensionaal fulmineren. Dat blijkt ook uit het boek Afgedwaald van de journalist Kees Schaepman met de veelzeggende ondertitel ‘op zoek naar een weg terug naar Rome’. Kees Schaepman is niet zomaar een katholiek. ‘Jij, Kees Schaepman, jij bent katholiek tot in je merg’, brult de wilde pater Van Kilsdonk hem toe in een interview nadat Schaepman hem heeft uitgelegd dat hij, Vrij Nederland-journalist, ook wel wat van roomse zaken weet.

Zijn oudoom namelijk is ‘de Doctor’, voorman, politicus en dichter Herman Schaepman, de laat negentiende-eeuwse Mozes van de katholieke machtsontplooiing, vereerd als een halve godheid. En dan is er ook nog een heel rijtje kleinere Schaepmannen, onder wie een aartsbisschop, een Tweede-Kamerlid en een heel blik priesters en religieuzen; allemaal bouwers aan een kerk die vooral spijkerhard maar ook boterzacht kon zijn.

Kees is een van de laatsten in de rij, en, zoals dat hoort in de jaren zestig, afvallig. Hij valt van zijn geloof als zijn stervende vader uit zijn vredige stervensslaap wordt gehaald door een ijverige priester die hem zonodig klaarwakker bedienen moet, oftewel het laatste oliesel moet geven. Op dat moment, als de kerk haar ware ongenadige gezicht laat zien, kan ze de jongste Schaepman gestolen worden. Dat hij ooit als kleine jongen martelaar of zoeaaf, soldaat van de paus, wilde worden – het zal wel. Nooit meer zet hij een voet in die zogenaamd zo mooie dwangburcht.

Hij valt opnieuw voor het geloof als de dood weer aan de deur lijkt te kloppen. Ditmaal bij hemzelf. Het is een kleine twintig jaar later. Hij is een bekend links journalist, ligt op hartbewaking, en hoort zichzelf, tot eigen verbazing, het ‘Wees gegroet, Maria’ prevelen. Vanaf dat moment begint de lange weg terug. Weer vele jaren later komt hij tot de conclusie dat zijn huis ‘steeds katholieker’ wordt. Als hij ’s ochtends wakker wordt, is het eerste wat hij doet, kijken of ‘het vertrouwenwekkende Mariabeeldje er nog staat’, dat hij ooit in Lourdes kocht (terecht, want ook wij, postkatholieken, houden het voor heel goed mogelijk dat het ineens uit zichzelf is gaan lopen! Dat is een aangegroeide niet te verhelpen afwijking).

Hoe het zover met hem is gekomen, probeert de auteur te achterhalen in dit helder geschreven en soms confronterende boek, dat nu en dan de roomse narigheid pijnlijk duidelijk benoemt. Bijvoorbeeld als hij schrijft over het mens kleinerende concept van de ‘schuldige onwetendheid’, dat je kunt zondigen zonder het te beseffen, en dus elk moment fout kun zijn tegenover God. En ook als hij nauwkeurig de ‘opgeblazen bolle’ roomse taal analyseert, het pathetische gedreun waar zijn oudoom zo goed in was, en die de jongste nazaat gevoelig maakt voor het megalomane gedram van de linkse profeet uit de jaren zeventig, Piet Reckman. Het is op zulke momenten, wanneer Schaepman zijn journalistieke pen scherpt op zijn erfgoed, dat dit boek een feest is om te lezen.

Gregoriaanse jurk

Schaepman wil echter vooral begrijpen waarom het geloof hem toch weer bij de lurven heeft, en dat geeft zijn boek ook iets van een pelgrimage. Over de oorzaak van zijn terugkeer noteert hij een aantal behartenswaardige dingen. Vanzelfsprekend zijn er de rituelen die nu eenmaal in zijn systeem zitten. De wierook, het lof, het gesleep in gregoriaanse jurk over het altaar en zo meer. Vanzelfsprekend is er de hervonden trots een Schaepman te zijn, een stevige en zelfbewuste katholiek in een ooit protestantse natie waar dat eigenlijk niet mocht. Maar er is vooral ook de bijzondere roomse houding tegenover de waarheid. De leer staat vast, maar als het even kan, is er een tenzij... een mits, een maar. Dat wisten de scholastici al en zo ook de Jezuïeten, waar de schrijver door een VPRO-collega voor wordt uitgescholden tot zijn stiekeme genoegen.

Zo’n betrekkelijke omgang met de waarheid is een kwaliteit die alle katholieken herkennen, althans in de praktijk van het leven en geloof van alledag – in laatste instantie zijn ook in de roomse kerk de laatste waarheden onverzettelijk en is accommodatie met de dogma’s beperkt mogelijk. Kerkvaders als Augustinus en ‘de Doctor’ konden dat elke gelovige uitleggen.

‘Onderhandelen met de waarheid, is voor mij de essentie van de katholieke cultuur’, schrijft Kees Schaepman. Het is precies die georganiseerde en gekoesterde illusie, die de kerk tot op grote hoogte in tact laat, die haar tot sociaal meest intelligente dictatuur van de twintigste eeuw maakte. Tegen zo’n kerk kun je bijna niet in schrijven, voor je het weet, buig je voor de kerk die zelf ogenschijnlijk ook zo buigzaam is, voor je het weet, zit je als vanouds te stralen bij de kerststal.