Monster in doodsangst

‘Is gevaar niet onvermijdelijk als je de wereld wilt leren kennen?’ Op deze retorische vraag rust het fundament van de nieuwe, spannende en magische ideeënroman Kroonsz van Marco Kunst. Maar de cruciale vraag in dit (jongeren)boek is eigenlijk: hoe kunnen we ons verhouden tot de dood en onze eigen sterfelijkheid? In beeldende taal voert Kunst je mee naar 17de-eeuws Amsterdam, toen het IJ nog naar zee rook en de stad uit haar voegen groeide. Nieuwe ontdekkingen stonden er op gespannen voet met het traditionele godsbeeld. Wetenschappers als Jan Swammerdam en Spinoza – ze spelen een kleine rol in Kroonsz – worstelden met de onbegrijpelijkheid van de tijd, de onvermijdelijkheid van de dood en met wat daarna kwam. Die goedgetroffen tijdgeest helpt het ongeloof op te schorten wanneer de fictieve arts Zacharias Kroonsz na het overlijden van zijn vrouw – verdrietig en bezeten door het mysterie rondom de dood – met zoon Wessel (17) de tijd zichtbaar weet te maken. Met zijn kronoscoop, een Jules Vernes-achtige uitvinding, lukt het hem ieders sterfdatum te voorspellen. Gedreven door doodsangst manipuleert hij de tijd en verandert hij in een monster, iemand tussen Frankenstein en Dr. Jekyll. Zo ontstaat ‘een gat in het weefsel van de werkelijkheid’ – een krachtig beeld dat Kunst ‘de Torn’ noemt – met alle horror tot gevolg.

De 21ste-eeuwse jongeren Pink en Bor, wier levens verstrengeld raken met die van Wessel en Kroonsz, zorgen ervoor dat de roman ook in onze werkelijkheid komt te staan. Hun spot ontnuchtert Kroonsz’ duistere praktijken: ‘Het lijkt godverdomme wel een of andere B-film’, zegt Bor tijdens zijn gevangenschap in Kroonsz’ kelder.

Ietwat ongeloofwaardig is de reusachtige tijdsprong in Wessels dagboek, onder het motto dat ‘tijd slechts een hulmiddel van de verbeelding is’. Maar de poëtische slotscène waarin verleden en heden samenvloeien en ‘de Torn’ wordt gedicht, doet je dat snel vergeten.