Meelopen met een bende post-Franco criminelen

‘Ik ben een van die mensen die vinden dat fictie altijd superieur is aan de werkelijkheid, maar dat de werkelijkheid altijd rijker is dan de fictie,’ laat de Spaans-Catalaanse schrijver Javier Cercas zijn hoofdpersoon zeggen in de roman Outlaws. Het zou een principeverklaring van de auteur zelf kunnen zijn. Cercas maakte naam met romans die steunen op historische gebeurtenissen, maar waarin de verbeelding alle ruimte krijgt om te onderstrepen wat volgens hem de waarheid van de geschiedenis zelf moet zijn geweest.

Dat leidde in zijn wereldwijd enthousiast onthaalde debuut Soldaten van Salamis tot een intrigerend verhaal over de Spaanse Burgeroorlog en de gecompliceerde relaties tussen mensen (niet zelden familieleden) uit tegengestelde partijen. Vijf jaar geleden reconstrueerde hij de staatsgreep van 1981 door de Guardia Civil en het leger op een even indringende als fascinerende wijze in zijn journalistieke roman Anatomie van een moment.

In Outlaws gaat hij terug naar de late jaren zeventig, kort na de dood van Franco. Dat is de tijd waarin zich in Spanje een nieuw fenomeen voordoet: bendes van (zeer) jonge criminelen. De spil van het boek is de charismatische Antonio Gemallo, die vanwege de opvallende kleur van zijn ogen ‘de Blauwe’ wordt genoemd en geïnspireerd is op de mediagenieke bendeleider ‘El Vaquilla’ uit diezelfde tijd. Inbraak en tasjesroof volstaan voor hem en zijn vrienden al snel niet meer. Bankovervallen, geweldpleging en moord brengen Gemallo het grootste deel van zijn leven achter de tralies.

Toch is ‘de Blauwe’ niet de hoofdfiguur in Outlaws. Het boek bestaat voor ruim de helft uit een lang interview met één van de leden uit zijn gevolg, afgewisseld met gesprekken met een politieman en een gevangenisdirecteur uit Gerona, waar het verhaal gesitueerd is. Om deze volgeling ‘Brillie’,ook getekend naar een bestaande persoon, gaat het in deze roman pas echt. Want ‘Brillie’ is geen doorsnee-randcrimineel. Hij is afkomstig uit een burgerlijk gezin en wordt vanwege zijn keurige en onschuldige uiterlijk door ‘de Blauwe’ tot meedoen verlokt. En zoals dat gaat: wanneer de bende wordt opgepakt, ontspringt hij de dans. Hij schopt het uiteindelijk tot succesvol advocaat en zal 25 jaar later zijn voormalige held bijstaan.

Cercas roept in Outlaws een mooi beeld op van het tijdvak van de late jaren zeventig en de smoezelige armoede van de louchere buurten van Gerona. Maar ondanks zijn uitvoerige biecht blijft ‘Brillie’ een raadselachtige figuur. Wat dreef hem nu eigenlijk zijn kortstondige criminele carrière in? Hij geeft er talloze verklaringen voor, maar geen van alle overtuigt. Heeft hij spijt? Voelt hij zich ongemakkelijk onder de bevoorrechte behandeling die hij kreeg? Je komt er niet echt achter.

Outlaws heeft de vorm van lange vraaggesprekken: met de politieman, de gevangenisdirecteur en vooral met ‘Brillie’. Dat geeft het boek de schijn van authenticiteit, maar leidt ook regelmatig tot tempoverlies. De geïnterviewden herhalen zich nogal eens, of zeuren over bijzaken. Wellicht heeft Cercas dat met opzet gedaan, omdat het er in echte gesprekken nu eenmaal zo aan toegaat. In weerwil van alle irritatie blijft het boek de lezer echter voortstuwen naar de laatste bladzijde. Ook dat is een teken van kundig schrijverschap.