In nazi-Duitsland niet op straat zonder pakket onder de arm

De ene journalist traceerde het Duitse oorlogsverleden van drie prominente natuurkundigen. De ander trok de levens na van 21 Duitse wetenschappers die na de oorlog in dienst traden van de geallieerden.

Een V2-model in Peenemünde, waar Duitse ingenieurs de raket ontwikkelden
Een V2-model in Peenemünde, waar Duitse ingenieurs de raket ontwikkelden Foto Berthold Steinhilber/Bilderberg

Als directeur van de Kaiser Wilhem Gesellschaft wist de Nederlandse natuurkundige Peter Debye natuurlijk heel goed dat de nazi’s hem geen toestemming zouden geven om zijn instituut te vernoemen naar zijn grote voorganger Max Planck. Hij stelde ze echter voor een voldongen feit door diens naam alvast in steen uit te laten hakken boven de poort van het instituut. En toen het bevel kwam die inscriptie te verwijderen, liet hij er een plank voor timmeren. Het is een grappig voorbeeld van de manier waarop wetenschappers in Duitsland verzet boden tegen het naziregime. Zo ging Nobelprijswinnaar Max von Laue nooit de straat op zonder een pakketje onder elke arm, omdat dat hem een excuus bood niet de Hitlergroet te hoeven brengen. Natuurlijk waren er ook die aandrongen op het ontslag van Joodse collega’s en zo actief meewerkten aan het creëren van een Deutsche Physik.

In zijn boek Serving the Reich volgt de Britse wetenschapsjournalist Philip Ball (1962) drie natuurkundigen in dat ‘schemergebied tussen medeplichtigheid en verzet’: de eerdergenoemde grand old man Max Planck (1858-1947), het jonge genie Werner Heisenberg (1901-1976) die de quantummechanica vorm gaf, en de Nederlander Peter Debye (1884-1966), over wiens vermeende nazisympathieën in ons land in 2006 een hevige discussie ontstond. Op elk van Balls drie protagonisten is wel wat aan te merken: Planck was de godvrezende en plichtsgetrouwe volgeling, voor wie wetenschap waardenvrij diende te zijn. Dat standpunt bleek na 1933 tot zijn ontzetting niet langer houdbaar.

De veel jongere Heisenberg, architect van het Duitse atoomprogramma, was een veel interessantere figuur, arrogant, zelfingenomen en volkomen overtuigd van de Duitse superioriteit: geïnterneerd in Engeland weigerde hij aanvankelijk te geloven dat de Amerikanen er wél in waren geslaagd om een atoombom tot ontploffing te brengen. Zijn latere pogingen om de wereld te laten geloven dat hij met opzet het Duitse atoombomprogramma had vertraagd worden door Ball overtuigend naar het rijk der fabelen verwezen.

Tegelijk maakt Ball duidelijk dat het onmogelijk is om over wie dan ook een uitgesproken oordeel te vellen. Daarvoor was de politieke situatie in Duitsland te chaotisch, was de druk waaraan wetenschappers bloot stonden te groot en waren hun pogingen om als belangeloze speurders naar de wetenschappelijke waarheid boven de politiek te staan tot mislukken gedoemd. Misschien was het júist hun aversie van enig politiek engagement die ze kwetsbaar maakte voor manipulatie door de nazi’s.

Eigenbelang

Ook wat Debye betreft, is Ball aanmerkelijk minder uitgesproken dan wetenschapsjournalist Sybe Rispens in zijn boek Einstein in Nederland uit 2006 en het NIOD in zijn rapport van een jaar later. Debye mag dan niet over een goed ontwikkeld moreel kompas hebben beschikt en uitsluitend oog hebben gehad voor zijn eigen belang, hij was geen nazisympathisant. Aan de ene kant schreef hij een brief waarin hij Joodse collega’s opriep ontslag te nemen en ondertekende deze met ‘Heil Hitler’, maar even goed hielp hij de Joodse natuurkundige Lise Meitner te vluchten naar Zweden. En toen de nazi’s hem dwongen zijn Nederlands staatsburgerschap op te geven, omdat zijn instituut de oorlogsinspanningen ondersteunde, trok Debye zijn conclusies en vertrok hij naar Amerika.

Talrijke Duitse collega’s deden dat ook en werden er zo medeverantwoordelijk voor dat Amerika na de oorlog een leidende rol in de wetenschap kreeg. Daarnaast werden meer dan 1600 van hun landgenoten – of dat nu oorlogsmisdadigers, SS-officieren of nazi’s waren geweest – in het geheim gerekruteerd om chemische en biologische wapens te ontwikkelen ten behoeve van de snel oplaaiende Koude Oorlog. Hoewel de Amerikaanse regering aanvankelijk duidelijk maakte dat daarbij voor oorlogsmisdadigers geen plaats was, ging dat principe snel overboord, onder het motto dat als ‘Amerika deze wetenschappers niet zou inlijven, de Sovjet- communisten dat zeker zouden doen.’

Ruimtevaart

De Amerikaanse journaliste Annie Jacobsen heeft deze periode uit de naoorlogse Amerikaanse geschiedenis opgetekend in haar boek Operation Paperclip. Het ontleent zijn titel aan de vele van paperclips voorziene dossiers, ten teken dat het hier oorlogsmisdadigers betrof. Jacobsen is de eerste die inzage heeft gehad in de talrijke dossiers van het ministerie van Defensie, de CIA en FBI, die openbaar werden nadat president Clinton in 1998 de Nazi War Crimes Disclosure Act had getekend. Sommige van die dossiers zijn welbekend. Wernher von Brauns ervaringen met de ontwikkeling van de V1 en V2 kwamen maar al te goed van pas toen de Amerikanen hun ruimtevaartprogramma gingen opzetten. Een minder bekend verhaal is dat van de Duitse chemicus Fritz Hoffmann die tal van chemicaliën onderzocht voor militair gebruik, waaronder het beruchte ontbladeringsmiddel Agent Orange dat in de Vietnamoorlog op grote schaal werd toegepast.

Jacobsens boek tekent, soms minutieus gedetailleerd de geschiedenissen op van 21 Duitse artsen, biologen en scheikundigen en hun Amerikaanse en Britse opdrachtgevers. Ze begint eind 1944, als de Amerikanen de nog maar net bevrijde steden van Europa binnentrekken op zoek naar Duitse wetenschappers en de laboratoria waar ze tot dan toe hun soms afzichtelijke experimenten uitvoerden.

Jacobsen concludeert terecht dat vanaf dat allereerste begin ‘Operation Paperclip’ geen goed idee was. Ze heeft al het beschikbare materiaal met zorg bestudeerd, maar was helaas niet in staat om ook maar iets weg te laten. Bovendien vertelt zij haar verhaal chronologisch, zodat wat op zichzelf afzonderlijke en ongetwijfeld uiterst lezenswaardige case histories zouden zijn geweest, nu door het hele boek versnipperd zijn geraakt. Philip Ball deed dat net zo, maar hij beperkte zich tot zijn drie hoofdfiguren en schreef daardoor een veel lezenswaardiger boek.