Ik ben het maaksel noch ben ik de maker

Voor studieuze lezers biedt deze nieuwe dichtbundel als een soort mystiek traktaat veel puzzelwerk. Maar hoe ondoorgrondelijk ook, de zangtoon sleept je vaak mee. Al tref je onderweg nogal wat hindernissen aan.

Foto Thinkstock
Foto Thinkstock

Er zijn maar weinig dichters die de taal zo laten zingen als Jacob Groot. Zijn woordenschat lijkt uitgebreider dan het woordenboek, en het taalspel krijgt soms magische proporties onder zijn pen. Zelfs waar zijn boodschap ondoorgrondelijk wordt sleept de zangtoon de lezer mee. Dat gold in ieder geval voor zijn vorige bundels, maar met Nieuwe zon overschrijdt hij, denk ik, het concentratievermogen van zijn lezers.

In Divina noir (2010) was het denkwerk in menig gedicht al belangrijker dan de beeldspraak, en daarbij morrelde Groot aan de grenzen van de poëzie. Maar hij bleef nog in het territorium van de lyriek. In Nieuwe zon heeft het quasifilosofische betoog de overhand. Er wordt vooral gedacht, en daarbij is de eigen navel het uitgangspunt.

Groot hanteert weliswaar herhaaldelijk het klassieke filosofenmiddel van de dialoog, maar de ‘je’ die daarin wordt aangesproken krijgt geen heldere contouren. Aanvankelijk lijkt het een geliefde, maar naarmate het verswerk vordert blijkt die ‘je’ toch bovenal een alter ego.

Geen poëzie zonder paradoxen. Bij Groot krijgt de schijnbare tegenstelling echter orkaanachtige trekjes. Kenmerkend is een passage zoals dit eerste vers van ‘Voortvluchtig tot in de kleinste details’:

Ik verklaar dat ik niet heb gezien hoe de natuur me overweldigde

Ik verklaar dat de natuur me overweldigd heeft

en ik licht het toe aan de hand van de kleinste details

die me ontgaan zijn terwijl ik probeerde ze te benoemen

zonder een woord te zeggen, hoewel ik alleen was

Hier wordt elke vorm van communicatie uit de weg gegaan. Nou is communicatie ook niet de eerste taak van een dichter, maar in een bundel van ruim tweehonderd pagina’s lijkt een verstaanbare mededeling bij tijden onmisbaar.

‘Iemand besluit te vertrekken om ergens anders afscheid te nemen,’ meldt het achterplat van Nieuwe zon. Dat wekt het vermoeden van een handeling, maar in het boek is die niet echt te bespeuren. Dat lijkt ook niet de bedoeling van Jacob Groot. ‘Waar gebeurt het allemaal?’ vraagt een gesprekspartner op pagina 189. ‘Hier, in de atlas van de taal,’ luidt het antwoord van de dichter. ‘Voert het woord je daarbij of neem je het zoals het is?’ vraagt de ander, en dat leidt tot een poëtische woordenbrij van zestien ondoorgrondelijke regels. ‘Bedoel je hetzelfde als wat ik ontvang?’ vraagt de gesprekspartner dan.

Dit lijkt geestig bedoeld, maar bij lezing van de voorgaande honderdtachtig bladzijden is het gevoel voor humor enigszins afgestompt. De overdaad aan taalgrapjes en virtuoze woordreeksen worden op den duur vermoeiend. Zeker als ze louter baldadig lijken zoals in: ‘U vraagt, wij draaien, fitness in de stal van de heelallen // In mijn gezicht de boer, in mijn hart de hoer, in mijn ballen de / soldaat, in mijn vingers de daad, in mijn zaad de macht, in mijn shotje de kracht’.

Is dit werkelijk een dramatische denktocht, zoals de uitgever verkondigt? Mij lijkt het eerder een egotische trip – al dan niet met farmaceutische middelen opgewekt. Meer dan een filosofische verkenning is Nieuwe zon een mystiek traktaat. Er wordt ook werkelijk gebeden in dit megagedicht. Anders dan het kerkboek en de dominee of priester aangeven, maar niettemin gebeden. ‘Extraterrestrial’ noemt Groot het zelf. Zoals hij vaker overdrijft.

Bij dit al blijft Jacob Groot toch een heuse dichter. Er staan ook bijzondere passages in deze bundel – zoals over de appel (blz. 97-98). Of geslaagde mystieke regels zoals:

Ik ben het maaksel noch ben ik de maker

maar hier staat niets dan de doodstille daad

die me, aangeraakt, toch maakt, al raak ik

daarbij ook de maker aan en hangt ons lot

aan een zijden draad, die bepaalt of ik mag

doen wat hij wil, of dat hij me vallen laat

Hier en daar staat ook een fraai verhuld sonnet, en intertekstueel valt er veel te beleven. Het duidelijkst betreft Groots literaire verwevenheid de verwijzingen naar Nijhoff. ‘Wees hier aanwezig, allereerste geest,’ luidt de eerste regel van diens ‘Awater’. Groot transformeert dat in de beginregels van zijn ‘Wonderbal’ tot ‘Wees hier aanwezig wie nog nergens is / geweest’. En ‘Hoogtepunt van ballingschap’ gaf hij de tweede regel van Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’ (Ik ging naar Bommel om de brug te zien) als motto. Nieuwe zon eindigt ook letterlijk onder de brug.

Voor studieuze lezers biedt Jacob Groot dus volop puzzelwerk. In zijn ‘schatplicht aan bronnen’ wijst hij overdadig de weg. Maar de vraag rijst of Nieuwe zon een onderzoek wel waard is. De droom van het denken lijkt op een dwaalspoor geraakt. Tijdelijk maar, hoop ik.