Gezellig, je ouders in het tuinhuis

Bejaarde, hulpbehoevende ouders kunnen bij hun kinderen in de tuin komen wonen. De mantelzorgregels zijn zojuist aangepast, en nu krijg je makkelijker een vergunning.

De huisjes van de families Slooten (grote foto), Rumathé (linksonder) en Van der Veeken. „Ik vind het fijn om hier alleen te zijn.”
De huisjes van de families Slooten (grote foto), Rumathé (linksonder) en Van der Veeken. „Ik vind het fijn om hier alleen te zijn.” Foto’s Merlin Daleman

In een container in de tuin: het klinkt misschien naar, maar dat is het allerminst. Antje Roerdink (101) woont sinds 2011 in de tuin van dochter Annie (63, huisvrouw) en schoonzoon Hans Rumathé (66, voormalig begeleider sociale werkplaats). In Groenlo, gemeente Oost-Gelre. Ze huren het huisje bij Hodes Bouwsystemen.

Antje heeft geen idéé wat Hans en Annie zeggen: ze heeft een prop in haar oor en verstaat er niets van, zegt ze. Maar wanneer Annie vertelt hoe vaak ze bij haar moeder langsgaat, veert ze op. „Nou, zo vaak kom je niet.” Ze lachen. Drie jaar geleden werd de mantelzorgwoning voor Antje in de tuin van Annie en Hans geplaatst, op zo’n twee meter van hun huis.

Antjes bungalow bestaat uit drie containers, vertelt Hans, bij elkaar vijftig vierkante meter. Als ze in een bejaardentehuis zou zijn gekomen, was dat een stuk minder geweest, griezelt Annie. Dat nooit.

In 1980 overleed Annies vader. Hans: „Elk kind erfde een stuk grond, wij kregen het huis.” Inclusief Antje. Het stel trok bij haar in. En toen ze drie jaar geleden noodgedwongen moesten verhuizen – de N18 zou dwars door de achtertuin komen – besloten ze: Antje gaat mee.

Ze zitten tegenover haar in het brandschone tuinhuis. Op vrijdag komt de schoonmaker, vertelt Annie, en twee keer per week wordt Antje gewassen. Elke avond schuift ze bij hen aan voor het eten.

„Overdag komen we natuurlijk ook langs hoor. Even een praatje maken. We vinden het wel gezellig”, zegt Annie. Hans knikt. Natuurlijk is het ook weleens onhandig. Als ze met vakantie willen bijvoorbeeld. Dat is dan ook al drie jaar niet gebeurd. „Er moet daarvoor zoveel geregeld worden. Wij lopen toch viermaal per dag langs om te kijken of alles goed gaat.” Is het licht niet per ongeluk aangebleven ’s nachts? Zijn de gordijnen ’s morgens wel open? Doet de televisie het nog?

Niet dat Antje de hele dag tv kijkt. Ze puzzelt, ontvangt wel eens bezoek, speelt piano. Zin in een liedje? Ze is opgestaan, schuift de stoel weg die Hans voor haar wilde neerzetten. Niet nodig. Ze begint te spelen. Een wals, roept ze boven de keiharde muziek uit. Kunnen ze het wel horen? Ze vindt het zelf nogal zachtjes allemaal.

De villa van Jac

Jac van der Veeken (84) woont sinds anderhalf jaar in de tuin van zijn dochter Marieke (42, docent landbouw), haar man Ron Scheepers 48, senior vicepresident Europa bij Stork) en hun twee kinderen in Teteringen, in Noord-Brabant. Ze kochten het huis voor 70.000 euro bij Prefab Unitbouw.

Het plan was dat Jac samen met zijn vrouw in het tuinhuis zou gaan wonen. „Ze is nog langs geweest, met de rolstoel, om te kijken waar het zou worden neergezet”, vertelt hij. Maar voordat de mantelzorgwoning was geplaatst, overleed ze.

Liever niet, zei Jac altijd wanneer hij het met Marieke over de optie bejaardenhuis had. Dat Mariekes moeder niet lang meer zou leven wisten ze, en Jac wilde niet alleen in het grote huis achterblijven. Marieke en haar broer hadden hem moeten beloven dat het geen bejaardentehuis werd. Zo’n huisje in de tuin zagen zij en Mariekes man Ron eigenlijk wel zitten.

Anderhalf jaar geleden werd de tuin omgespit, kwam er een plateau met tegels, en tot slot Jacs huisje – van zo’n 45 vierkante meter. Net in de week dat zijn vrouw stierf. „Na de begrafenis heb ik één nachtje thuis geslapen, daarna ben ik verhuisd.”

Eens per week eet Jac mee met Mariekes gezin. Zij doet de was, zorgt voor het eten en checkt of alles goed gaat. Omgekeerd ook. Jac: „Als het licht ’s morgens nog uit is, bel ik. Hebben ze zich verslapen?”

Als Jac op pad gaat, geeft hij dat door aan zijn dochter. Wanneer hij een middag gaat fietsen bijvoorbeeld, of een weekendje weggaat met zijn vrienden van de ouderenbond. Ook over het ontvangen van bezoek hebben ze afspraken gemaakt. „Zijn vrienden weten nu dat als ze bij pap langsgaan, ze niet ook verplicht bij mij op de koffie hoeven.” Korte stilte. „Ik heb er eigenlijk een kind bij.” Sterker nog, om zich helemaal met de zorg van haar vader en kinderen bezig te houden, heeft Marieke haar baan opgezegd. „Ik verzorgde mijn moeder tijdens haar ziekbed; het voelt logisch er nu ook te zijn voor mijn vader.”

Die moet nog wennen aan de hulp en gastvrijheid. „Soms vraagt Ron of ik nog een kopje koffie wil. Maar je moet weten wanneer het tijd is om te gaan. Dat is na het eten – dan laat ik ze even met het gezin zijn, met z’n vieren.” En dus gaat hij op tijd terug naar zijn villa, zoals hij zijn tuinhuis noemt. Corrie zou het er prachtig hebben gevonden.

Ellendig in het verzorgingshuis

Dorothy Duijm-Spencer (88) woont ruim acht maanden in de tuin bij haar dochter Dorothy (59, ambtelijk secretaris/trainer medezeggenschap) en schoonzoon Bert van Slooten (60, voormalig luchtmachtkolonel en vrijwilliger ouderenbond) in De Meern, bij Utrecht. Ze hebben een huurkoopconstructie bij Top Totaal.

Eigenlijk is hij de ideale schoonzoon, zegt Bert. Het tuinhuis was tenslotte zijn idee. Dorothy grinnikt. Vanachter het keukenraam houden ze het huisje in de gaten. De werkster heeft net het ontbijt langsgebracht bij Dorothys moeder. Het miezert. Die twintig meter naar het chalet leggen ze zo rennend wel af.

Dorothy: „Het was Berts idee, hij is gek op mijn moeder. Haar gezondheid ging ineens snel achteruit. Ze kreeg een TIA en voelde zich ellendig in het verzorgingshuis waar ze woonde.” Ze zat daar tussen dementerenden. Niet prettig als je zelf nog helder van geest bent, zegt Bert. Konden zíj niet voor haar zorgen? Haar in huis nemen ging hun te ver. „Kom je ’s morgens beneden, zit ze in je stoel”, lacht hij. „Dat is even leuk. Maar je moet je niet gaan ergeren.”

Daar zou zijn schoonmoeder Dorothy ook nooit om hebben gevraagd, inwoning. Vanaf de bank in haar mantelzorgwoning neemt ze het stel op. „Ze moeten vooral hun eigen leven leiden”, zegt ze. Vandaar dat ze de deur niet bij elkaar plat lopen. Daar heeft Dorothy ook geen behoefte aan, de voorzichtige opmerking van schoonzoon Bert over eenzaamheid wuift ze weg. „Ik vind het fijn om hier alleen te zijn”, zegt ze.

Het avondeten brengt dochter Dorothy langs, en ’s avonds laat neemt ze de dag altijd even door met haar moeder. Maar verder gaan ze hun eigen gang. „Het scheelt dat Bert en ik voornamelijk thuis werken. We zijn dus altijd in de buurt, mocht er iets aan de hand zijn.”

Uiteindelijk komt het toch op hen aan, zeggen ze. Dochter Dorothy: „Natuurlijk, in theorie klinkt het goed, zo’n participatiesamenleving. Maar je gaat toch echt niet aan de buren vragen of ze je moeder willen verzorgen.”

Op termijn zullen ze extra hulp moeten inschakelen, denkt Bert. Hoe ze dat precies gaan regelen, zoeken ze nu uit. Bert zit erbovenop. „Speelt de gemeente hier een rol in? De verzekeraar? Vraag je een persoonsgebonden budget aan? Ik ga binnenkort maar weer eens contact opnemen met de gemeenteraad.”