Elk paradijs zal tot een kooi verworden

Door steeds een ander naar een van de dertien levensstadia van een vrouw te laten kijken, doet deze speelse Oostenrijkse schrijfster uit de doeken hoe ongrijpbaar en complex een mens in elkaar kan zitten.

Maria Lassnig: Die uneheliche Braut, 2007, olie op canvas, 200 x 150 cm
Maria Lassnig: Die uneheliche Braut, 2007, olie op canvas, 200 x 150 cm © Maria Lassnig, Courtesy of Hauser & Wirth

Voor je het in de gaten hebt, is je leven voorbij. Voor rationalisten is het een dooddoener, maar niet voor de Oostenrijkse schrijfster Eva Menasse (Wenen, 1970). Dat blijkt uit haar nieuwe roman Quasikristallen, waarin ze het vervlieden van de tijd beschrijft aan de hand van een enkele vrouw, Xane Molin, die gevolgd wordt tijdens dertien stadia van haar leven, vanaf haar veertiende tot aan haar oude dag.

Als de speelse schrijfster die ze is, beschrijft Menasse haar heldin in twaalf van die dertien keer door de ogen van een ander. Slechts eenmaal komt Xane zelf aan het woord: als ze haar huwelijk overziet en zich afvraagt of ze nog wel gelukkig is. Op die manier krijg je haar telkens in een andere gedaante te zien, terwijl het toch om dezelfde persoon gaat. Vandaar ook de titel van de roman, omdat in quasikristallen de atomen met veel minder structuur gerangschikt zijn dan je op het eerste gezicht denkt. Bij Menasse levert dat een intrigerend portret op van een vrouw, die je na ieder nieuw hoofdstuk beter denkt te kennen, terwijl ze in werkelijkheid alleen maar ongrijpbaarder wordt.

Quasikristallen begint met een ‘puberidylle’ tijdens een zomervakantie op het platteland die eindigt in een drama. Samen met haar vriendinnen Judith en Claudia vormt Xane een driemanschap dat de wereld aan denkt te kunnen. Maar het bondgenootschap is allesbehalve ideaal: de boerse en onhandige Claudia wordt geminacht door haar twee vriendinnen, wat blijkt uit een passage als: ‘Wat Claudia te wachten stond als zij haar zouden laten vallen was niet helemaal duidelijk. Maar erg prettig zou het wel niet zijn.’ Het moment van dat verraad breekt echter nooit aan, want Claudia sterft plotseling en laat haar twee overgebleven vriendinnen voor de rest van hun leven met een schuldcomplex achter. Het is het bruuske einde van hun jeugdjaren.

Maar er dreigde al eerder iets in Quasikristallen , dat zich net als Menasse’s debuutroman Wenen (2005) deels in Oostenrijk afspeelt, waar nog altijd verkrampt met het naziverleden wordt omgegaan en vrijwel iedereen wel aan een of ander – Joods, katholiek of aartsconservatief – onderdrukkingstrauma lijdt. Dat laatste wordt duidelijk in het tweede hoofdstuk van Quasikristallen, waarin Xane als studente op excursie naar Auschwitz gaat. Vanuit het perspectief van een Poolse reisleider in een midlifecrisis laat Menasse zien hoe de half-Joodse Xane ineens geconfronteerd wordt met de shoah en ze haar Joodse wortels ontdekt. Vanaf dat moment manifesteert ze zich als een ‘Joodse intellectuele’, terwijl die Joodse identiteit eerder geen enkele rol in haar leven leek te spelen. En ook al is dit deel van Quasikristallen misschien wel het indringendst, omdat het de haat-liefdeverhouding van veel Joden in de Duitstalige wereld van na 1945 zo knap belicht, in het volgende hoofdstuk speelt die Joodse identiteit al geen enkele rol meer. Alsof het bij Xane om een momentopname ging en je je identiteit als een oude jas kunt afleggen.

Burgerlijke hypocrisie

Als bohémienkunstenares hekelt Xane, via het perspectief van haar achterbakse en voyeuristische huisbaas, even later de burgerlijke hypocrisie van het moderne Oostenrijk, waarin al het afwijkende nog altijd met argwaan wordt bejegend. Menasse laat zich hier zien als een lichtvoetige navolgster van de overleden schrijver en Oostenrijkhater Thomas Bernhard.

Wanneer Xane met de veel oudere hoogleraar Mor Braun trouwt en bij hem en zijn dochters in Berlijn gaat wonen, belandt haar leven in een rustiger vaarwater, al kan haar stiefdochter Viola haar wel schieten. Ineens behoort ze tot de intellectuele beau monde van Duitsland, een rol die ze met verve vertolkt. Oostenrijk lijkt ineens uitgewist. Alleen haar kinderwens is op dat moment nog onbevredigd, maar via IVF lukt het om ook aan dat verlangen te voldoen.

Menasse laat Xane hierna nog voorbijkomen als de ambitieuze directrice van een succesvol reclamebureau, als kirrende would be minnares van een jong muzikaal genie, als dominante spil van een groep jeugdvriendinnen en tot slot als een naar haar geboorteland teruggekeerde weduwe, die het moeilijk heeft met haar zoon. En ook in die variaties heb je telkens met een andere vrouw te maken, die als enige constante eigenschap misschien heeft dat ze bruist van levenslust en meer van de überserieuze Duitsers houdt dan van haar eigen landgenoten. Opnieuw komt hier de zelfhaat naar boven, die Menasse in Wenen zo humoristisch wist te verwoorden.

Eigenliefde

Geleidelijk aan ontdek je dat bij Xane veel met eigenliefde samenhangt. En juist die blijkt de grootste hindernis te zijn om tot haar wezen door te dringen. Zodra je dat doorhebt, besef je dat Xane haar hele leven bezig is geweest met het boetseren van haar identiteit, die zich steeds in een andere gedaante hult en waarop ze op den duur zelf geen enkele greep heeft.

Die eigenliefde leidt tot mooie passages, zoals in het hoofdstuk waarin Xane haar verlangen uitspreekt om haar man te bedriegen en eindelijk eens bevrijd te zijn van al die intellectuele discussies: ‘En toch is het allemaal soms niet genoeg. Toch wordt elk paradijs op een gegeven moment tot kooi. Dat is de mens eigen. Een of ander gevoel van twijfel steekt de kop op, een schaduw, een minimale verschuiving van het licht. En dan worden we ziek en onverstandig, we willen vervellen. [...] Mocht het op een dag niet overgaan, zou je een probleem hebben. Daar ben ik enorm bang voor, tegelijkertijd moet het wel een reële optie blijven. Dat er op een dag toch iets gebeurt dat sterker is dan jezelf, iets was je niet weg kunt discussiëren, noch uitzitten of negeren.’

Precies die zucht om te vervellen zorgt ervoor dat Xane tot op het laatst van haar leven ongrijpbaar blijft, al meent haar zoon Amos dat ze op de vlucht is, ‘voor een plek of voor herinneringen’. Je kunt Xane’s ongrijpbaarheid als een hinderlijk gebrek van deze caleidoscopische roman zien, maar ook als het door Menasse overtuigend aangevoerde bewijs dat mensen veel ingewikkelder in elkaar zitten dan op het eerste gezicht lijkt.