Een Surinaams ‘Meisje met de parel’

Behalve het wel en en wee van een Hindoestaans-Surinaams meisje biedt deze roman een tamelijk zeldzaam Surinaams perspectief op onze koloniale geschiedenis.

Ellen Ombre suggereert veel door de mooi belichte buitenkant
Ellen Ombre suggereert veel door de mooi belichte buitenkant Foto Hollandse Hoogte

De roman Erfgoed opent met een ontmoeting tussen een donker en een blank meisje, een Hindoestaans-Surinaamse en een Hollandse. De zesjarige Lakshmi staat voor Vermeers Meisje met de Parel en is tot tranen toe geroerd door de ‘terugblik’ van het geschilderde witte kind met haar blauwe hoofddoek.

In de verhalen van de Surinaams-Nederlandse auteur Ellen Ombre (1948) draait het vrijwel altijd om zulke ontmoetingen, zij het dat ze zelden zo zuiver zijn als in het Haagse Mauritshuis. In levende lijve zijn Nederlanders een stuk banaler en racistischer dan op een schilderij. De volwassen Lakshmi, die het verhaal vertelt, krijgt om de haverklap te maken met onwetendheid en onverschilligheid over haar geboorteland, toch ook Nederlands ‘erfgoed’.

Zelf is ze ogenschijnlijk overigens niet minder onverschillig. Hoewel ze psycholoog is, lijkt het wel en wee van de medemens haar niet bijster veel te kunnen schelen. De beweegredenen van de anderen blijven duister voor Lakshmi, en dus ook voor de lezer. Zo opereert Ellen Ombre als een soort Vermeer: ze suggereert veel door de mooi belichte buitenkant, maar naar wat er in de personages omgaat kunnen we slechts gissen.

Rancune

Dat geldt ook voor de gesloten en stugge Lakshmi, zij geeft niets over zichzelf prijs. Vooral waarom ze zo rancuneus is blijft onduidelijk: zowel Nederlanders als Surinamers moeten het ontgelden als ze te dik zijn, teveel praten, positief dan wel negatief discrimineren. Zelfs wanneer Lakshmi (wederom in het museum) de boeddhistische Hans ontmoet die haar ontmaagdt en uiteindelijk de vader van haar kind wordt, tasten we in het duister over haar gevoelens. Nog minder weten we wat hem drijft, behalve zijn hang naar exotische vrouwen. Dat hij Joods is en de zoon van oorlogsslachtoffers wordt wel genoemd, maar krijgt geen consequenties. Is hij daarom altijd op de vlucht? Wordt hij daarom boeddhist? We komen er niet achter.

Zo komt het ook als een verrassing dat de behoudende en wat nuffige Lakshmi plotsklaps in een vliegtuig naar Paramaribo stapt om haar vader en halfzus te ontmoeten: familie die haar al snel net zo verveelt als voorheen haar collega’s en studiegenoten. Haar bezoek levert wel een fraai beeld op van een natie die al net zo ambivalent is als de hoofdpersoon zelf over haar relatie tot Nederland.

Lakshmi’s enige en constante liefde is voor haar moeder, bij wie ze ook inwoont in Den Haag: een ontroerende social climber die het van tandeloze analfabete immigrante maakt tot een Bordewijk-lezer met Eames-stoelen in huis en een ongebroken vertrouwen in het westerse humanisme – maar tegelijk is ze volkomen verschanst in haar keurige eenzaamheid. Opnieuw is het een portret waarin Ombre uitblinkt, meer dan in dialogen of een verhaallijn. Erfgoed lijkt dan ook in veel opzichten op de verhalenbundels die ze eerder schreef, zoals Valse verlangens (2000), waarin personages in botsing kwamen met Nederlandse verwachtingen en vooroordelen. Tegelijk maakt Ombre het zichzelf moeilijk door voor de romanvorm te kiezen, die nu eenmaal meer heeft van een speelfilm dan van een schilderij van Vermeer, en dialoog nodig heeft en psychologische ontwikkeling. Ombre heeft de neiging haar personages als kapstok voor opinies te gebruiken, zodat ze vrij onverwacht uitbarsten in tirades over de geschiedenis van Suriname, over het oeuvre van Bordewijk.

Zwarte Piet

De onderwerpen zijn soms al bekend uit eerder werk van Ombre: Bordewijks roman Tijding van ver, met het Surinaamse personage dat iedereen vergeten is, ontwikkelingshulp, Zwarte Piet, het Hollandse banale toerisme aan de Costa Brava. Ook Hans, de rijke Joodse Amsterdammer met zijn hang naar het exotische, kenden we al uit een eerder verhaal, waarin de hoofdpersoon hem eveneens in het museum ontmoette.

Ook zonder te lijden aan het exotisme van deze Hans kunnen we blij zijn dat er een auteur als Ombre is. Zoveel stemmen hebben we immers niet die het Surinaamse perspectief op onze koloniale geschiedenis kunnen weergeven. Die kunnen vertellen hoe het is om in de jaren zeventig op te groeien in een Haags pension waar de muren ‘geluid lekten’ en er maar één wc was voor vele gezinnen.

Dat het meisje uit de openingsscène van de roman dan tot een weinig innemende figuur blijkt te zijn opgegroeid, doet aan de kracht van dat verhaal niets af. Integendeel: de suggestie is dat haar afwijzende en wantrouwige houding daar van alles mee te maken heeft. Zeker weten doen we het niet: Vermeer liet ons immers ook niet verder kijken dan de huid.