Dit jaar doen we het anders. We vieren het gewoon niet

Columnist Marcel van Roosmalen vierde Oud en Nieuw altijd op de verkeerde plaats in het verkeerde gezelschap, in het volle besef dat het elders wél gezellig is. Dit jaar trapte hij er niet meer in.

Oud en Nieuw in Hoek van Holland (boven) en Duindorp, waar ieder jaar een groot vreugdevuur wordt ontstoken.
Oud en Nieuw in Hoek van Holland (boven) en Duindorp, waar ieder jaar een groot vreugdevuur wordt ontstoken. Foto’s Peter de Krom

Het besluit was onuitgesproken genomen: de vriendin en ik deden niets op Oudejaarsavond. We hadden wel oliebollen in huis, dat wel. Hele vette, in een opwelling gekocht bij de kraam tegenover Albert Heijn.

Vorig jaar waren we er voor het laatst ingetrapt, in de val van het verwachtingspatroon. Van het idee dat je toch een gezellige avond moest hebben omdat iedereen nu eenmaal een gezellige avond heeft. Te laat van huis vertrokken verdwaalden we in Amsterdam-West, waar we de woning van die vriend maar niet konden vinden, de telefoon geen bereik had en de vuurwerkbommen ons om de oren vlogen.

Toen we er eindelijk waren, was het hoogtepunt al achter de rug. Ik herinnerde me vooral een ziek kind en de moeder, een voor mij onbekende vrouw, die in haar feestjurk boven de plas overgeefsel stond te hangen om daarna opgewekt te concluderen: „Daar is die oliebol weer!”

Na twee glazen champagne en drie mislukte gesprekken waren we weer thuis, maar niet nadat ons bij meerdere cafés de toegang was geweigerd wegens ‘geen bekend gezicht’, ‘geen toegangskaart’ of ‘vol’. Alleen bij Café Pleinzicht aan het Haarlemmerplein in Amsterdam stond de deur op een kier, maar daar lag de lat inmiddels laag. Fijn dat we naar binnen mochten, maar daar was dan meteen ook alles mee gezegd. Alsof je een lekker gerecht mocht eten, maar dan wel geserveerd in een asbak.

„In me broek geplast”, liet een meneer zien.

„Geeft niks”, zei hij er zelf achteraan.

Omdat ik er wel van houd om op de bodem te beginnen, zodat de lijn daarna alleen nog maar omhoog kan, dronken we er een consumptie.

Dat dus nooit meer.

Of ik heb geen gelukkige hand van kiezen, of het is gewoon een kutfeest, maar voor mij is Oudejaarsavond vooral een feest dat ik op de verkeerde plaats in het verkeerde gezelschap vier, in het volle besef dat het elders wél gezellig is. Een avond waarop het zelfs met je beste vrienden maar niet gezellig wordt. Oorzaak is vaak de dissonant, degene van wie je niet wist dat die er ook zou zijn en die je verder ook niet kent. Het buitenbeentje, de goede vriendin van de vriendin van je vriend.

Iemand zonder baan, zonder geluk en vooral zonder relatie.

Kortom: een persoon die een rotjaar heeft gehad en die dat juist door de hoge verwachtingen op zo’n avond heel erg gaat zitten uitstralen en die opeens, vaak met een begeleidende tekst als ‘ik wil jullie feest beslist niet bederven’ een potje gaat zitten janken. Of ruzie zoeken, die variant bestaat ook.

Zelf verpestte ik een jaar of vijf geleden de Oudjaarsavond van de goede vriend in de andere stad. Freek de Jonge was op televisie, een conference waarvan we niets verstonden omdat de zus van zijn vrouw – die was ook alleen, haar Egyptische vriend zat in Egypte – er bij iedere moslimgrap doorheen schreeuwde.

„Hè, wat flauw!”

„Hè, wat makkelijk!”

Wachten op de eerste intercity

Ik begreep wel waarom die vriend in Egypte zat en vroeg me op het hoogtepunt van mijn irritatie hardop af of het door hem kwam dat zij moslim was geworden.

Het eindigde in een discussie zonder eind – uiteraard had het een niets met het ander te maken, integendeel: als je alle geloven naast elkaar legde, was de islam gewoon het beste – maar gezellig werd het niet meer. Het was wachten op de eerste intercity, die pas in het nieuwe jaar weer reed.

Nee, ik vierde geen Oud en Nieuw, tenminste niet in groepsverband en dat vertelde ik ook de hoofdredacteur van deze krant toen hij me belde dat er behoefte was aan een achtergrondverhaal over Oudejaarsavond. Iets over te hooggespannen verwachtingen en dat het daarna toch tegenviel qua gezelligheid. En toen was er dus aan mij gedacht – hij zei het niet met zoveel woorden, maar ik hoorde hem denken ‘dan wordt het in ieder geval zeker niet gezellig’.

„Wat ga je doen?” vroeg hij.

„Niks”, zei ik.

Zelf deed hij ook heel nadrukkelijk niets bijzonders, zei hij. De volgende dag wel: dan ging hij ’s morgens twintig kilometer hardlopen. Het was een terloopse mededeling, waardoor ik dacht: waarom schrijf je dat stuk zelf niet? Meedoen aan een hardloopwedstrijd op Nieuwjaarsdag, de ultieme reden om iedere gezelligheid bij voorbaat uit de weg te gaan, waarom was ik daar zelf niet op gekomen?

Kut-nieuwjaar

Alsof het een besluit is om nergens naartoe te gaan. De waarheid was dat er geen uitnodigingen waren.

Nul.

„Niemand vindt het leuk om met ons Oudejaarsavond te vieren”, zei ik tegen de vriendin.

„Maar wij zijn dan toch ook helemaal niet leuk?” zei ze terug.

Ze sprak voor de zoveelste keer uit wat zij wilde: helemaal niets, behalve dan dat kat Duttie op het kussentje naast de kerstboom ging liggen en dat ik om twaalf uur precies voor de zoveelste keer zou stoppen met roken.

Er gebeurde niets bijzonders.

Rond elven kwamen de eerste sms’jes.

Een vriendin uit Arnhem: ‘Ik zit thuis met een zak over het hoofd. Kut-nieuwjaar! Wat doen jullie?’

Mijn moeder belde om alvast te zeggen dat ze een uur later niet ging bellen. De rookmelders in de woning stonden aan en voor de rest was ze het aan het vieren met de buurvrouw, want die was ook alleen, maar die zat op het moment van bellen op het toilet.

We keken Youp van ‘t Hek op de televisie.

Daarna onverwacht nog meer humor.

‘Het nationale aftelmoment’.

Art Rooijakkers van Wie is de Mol? stond in de buurt van het Scheepvaartmuseum heel erg sympathiek Art Rooijakkers te zijn, maar de teksten die ze hem lieten uitspreken waren verschrikkelijk. „Terugkijken, vooruitblikken en goede voornemens” en dat vijfhonderd keer, waarna we beelden kregen te zien van „het nationale hoogtepunt van 2014”: „onze winnende Nederlandse sporters”.

Daarna ging Art een vuurwerkmaker interviewen.

Die had zwetende handen, maar dat was altijd zo als hij ergens vuurwerk moest afsteken.

Daarna het aftellen.

Tien-negen-acht-zeven…

We kusten elkaar in de huiskamer, op Nederland 1 was Art Rooijakkers vervangen door tongzoenende Nederlanders die bij het nationale aftelmoment waren.

Toch maar de kroeg in

We gingen toch de straat op.

Betondorp in, want daar wonen we.

In de Ploegstraat stond een man met een winkelwagentje vol vuurwerk. Wijdbeens liep hij met zijn pakketten naar het midden van de straat. Wat ging er door hem heen? Hoe voelde het om het meeste vuurwerk van iedereen te hebben?

We passeerden Café De Avonden, de buurtkroeg waar ze André Hazes draaiden en ze inmiddels over de bar kropen.

Wel naar binnen, niet naar binnen?

Toch naar binnen.

Gesprekken met onverstaanbare, want bezopen, buurtbewoners.

Het eindigde met een botsing met een bord hete balletjes in satésaus, waarna we stinkend weggingen.

Het was niet eens een tegenvaller. Oudejaarsavond was een ingecalculeerde nederlaag: het kan alleen nog maar beter gaan.