De pastoor bluste de binnenbrandjes in het ‘slechtste dorp van Nederland’

Mariët Meester maakte literaire uitstapjes naar Roemenië, Amerika en Zuid-Europa, maar om de zoveel boeken keert ze terug naar het Drentse dorp waar ze opgroeide en tot haar achttiende woonde: het gevangenisdorp Veenhuizen, ook wel ‘het slechtste dorp van Nederland’ genoemd. In haar nieuwe roman Hollands Siberië neemt ze de jaren 1936 tot 1950 onder de loep, een periode van vóór haar geboorte. Van overgeleverde feiten en verhalen maakte ze een vloeiende geschiedenis – met veel aansprekende details en cliffhangers.

Tot de oorlog, zo blijkt hier, was Veenhuizen een gesticht voor landlopers en andere onaangepaste types die heropgevoed moesten worden. Tijdens de oorlog werd het dorp door een Drentse knokploeg af en toe gebruikt als uitvalsbasis voor wapendroppings en andere verzetsactiviteiten. Na de oorlog kreeg Veenhuizen steeds meer een gevangeniskarakter. Naast gewone criminelen kwam er een hele groep ‘politieken’ bij: van NSB-sympathisanten tot Jodenvervolgers als Kotälla, Fischer en Aus der Fünten, de latere ‘Drie van Breda’.

Mariët Meester (1958) laat goed zien hoe precair het evenwicht is in een gesloten dorpsgemeenschap waar zoveel verschillende mensen als het ware door één deur moeten: ‘verpleegden’ en gevangenen, lage en hoge justitieambtenaren, opzieners en politieagenten, protestanten, katholieken en openbaren.

Het aardige van deze avontuurlijke dorpsroman is vooral dat er een hoofdpersoon is, naar wie de sympathie uitgaat: pastoor Pex, die van hot naar her fietst in zijn fransciscaner pij. Hij verleent geestelijke bijstand aan de katholieke bewoners, maar blust, met veel praktisch vernuft, ook menig binnenbrandje in het dorp.

Al snel wordt duidelijk dat deze pastoor behoorlijk vrijzinnig is. Hij overtreedt wel eens de vastenregels, ziet oogluikend van alles van zijn parochianen door de vingers, moet het steeds minder hebben van ‘die hele roomse rimram’ en verbreekt op zijn 56ste zelfs het celibaat. Pex komt tot de ontdekking dat hij wil leven voor zijn dood en niet pas erna.

Tussen de pastoor en zijn huishoudster ontluikt in het geheim iets moois, fijnzinnig beschreven door Meester. Maar je voelt op je klompen aan dat dit geluk niet voor eeuwig is. En zo is het ook. De geliefden worden van hogerhand uit elkaar gedreven, vlak voor hun geplande coming out. Pex wordt ‘eervol ontslagen’ en afgevoerd naar een klooster in Maastricht, waar hij zijn laatste eenzame jaren zal slijten. Ook met de huishoudster loopt het niet goed af.

In de epiloog wordt fijntjes opgemerkt dat heel wat foute Nederlanders er in Veenhuizen beter afkwamen dan deze druistige pastoor. Zij konden na een betrekkelijk lichte en korte straf hun leven voortzetten. Zo is er wel meer in deze spannende Drentse soap dat tot nadenken stemt.