De ontroering als een menigte iets goeds wil

Het jaar moet altijd even achterwaarts bekeken worden als het voorbij is, zowel je eigen jaar als het wereldjaar. Het wereldjaar was erg gewelddadig. Zoals elk wereldjaar eigenlijk. Als je naar de foto’s ervan kijkt, zie je altijd vooral het zinloze van al dat geweld, meer dan als je middenin de actualiteit zit te kijken. Al die mensen op foto’s die met een geweer in hun hand staan om anderen tegen te houden, dood te schieten of in elkaar te meppen, jaar in jaar uit gaat dat zo. En steeds wordt er weer een dictator of juist een wellicht in aanleg democratisch regime verdreven, een grens geopend of gesloten. Nieuwe foto’s, ander jaartal. Plus ça change, plus ça reste la même chose. Maar niet in ieders eigen leven. Om welke revolutie in welk land het gaat, maakt alleen maar niets uit als je afstandelijk naar foto’s zit te kijken. Niemand wil onverschillig zijn. Dus zetten we ons in voor dingen waaraan we menen wel iets te kunnen doen. Een paar jaar geleden deed een betrokken bovenlaag dat door via spaarlampen het klimaat te redden, afgelopen jaar werd de opwarming van de aarde gestuit door het eten van vegetarische hamburgers. Maar het is flauw om daar lacherig over te doen, want dan doe je helemaal niets. We moeten het leven belangrijk vinden, iets anders zit er niet op.

Op Vimeo zag ik een video van de Duitse kunstenaar Sven Johne. Het heet Tears of the eyewitness. Op een filmset zitten twee mannen te praten. De ene is een emotional filler, iemand die een acteur op de hoogte brengt van de achtergronden en omstandigheden van zijn personage, zodat hij zich kan inleven. De acteur zei niets, de filler praatte. Hij vertelde over wat dit jaar 25 jaar geleden was, de demonstraties in Leipzig, najaar 1989. Over het geweld van de Volkspolizei, over de arrestaties en de wreedheden, over de ontzetting van de demonstranten. En hoe ze desondanks door gingen met hun demonstraties, elke week op maandag. Hoe de politie op volle sterkte werd gebracht en er zelfs legertroepen achter de hand gehouden werden voor de demonstratie van 9 oktober 1989. Ziekenhuisbedden werden vrijgehouden, er werd extra bloed ingeslagen – de overheid verwachtte veel gewonden. 70.000 demonstranten gingen toch de straat op.

De man vertelt met veel details, hij laat de acteur de angst voelen die heerst in een politiestaat, en de geschoktheid van de mensen die zien dat hun eigen mensen, hun eigen politie, hun broers, vaders, buren op ze in kunnen slaan. En dat ze toch gaan.

De acteur luistert geboeid. De toeschouwer ook.

Hoe er mensen uit de Nicolaïkerk komen met een kaars in hun hand. Hoe sommige politiemensen mee gaan lopen met de demonstranten. Hoe die enorme mensenmenigte roept ‘Wij zijn het volk’.

Hoe er niet geslagen of geschoten wordt. Hoe de vrijheid komt, stap voor stap, teweeg gebracht door al die mensen, steeds meer mensen, elke maandag.

Dan zwijgt de verteller. De acteur huilt, heel stil.

Wie was hij? Een acteur alleen maar? Iemand die het zelf ook heeft meegemaakt? Je weet het niet. Maar de ontroering die hem bevangt, ken je wel. Dat is de ontroering die je bevangt als een menigte mensen iets goeds en gewoons wil. Vrijheid. Werk. Eten. Op straat mogen lopen. Je mening mogen zeggen.

En dan is het ineens januari 2015. Iedereen loopt op straat, iedereen zegt zijn mening en we weten ons geen raad.

Maar die andere, verlangende menigte is er nog wel. Die ben je zelf.