De hemel is één verdieping te hoog

Poëzie was volgens Paul van Ostaijen ‘woordkunst’ en dus geen ‘mededeling van emoties’, maar moest vooral visionair zijn. Is alle visionaire poëzie per definitie avant-garde?

H.N. Werkman: SE& O (1925)
H.N. Werkman: SE& O (1925) Illustraties uit besproken boek

Bestaat er nog een avant-garde in onze poëzie? Iedereen doet zijn of haar ding, maar een idee van vooruitgang in de kunsten lijkt niemand meer te hebben. Zonder vooruitgangsidee geen avant-garde. Pas als men het gevoel heeft dat de geschiedenis progressie vertoont, liefst met dramatische stroomversnellingen, apocalyptische ondergangen en revoluties, heeft het zin om aan te wijzen wie voorop gaan. In het verleden wezen de koplopers zich gewoonlijk zelf aan. En pas daarna volgde al dan niet de erkenning door de anderen. Vaak met paradoxaal resultaat.

Daarvan getuigt de zogenaamde ‘historische’ avant-garde van de vroege twintigste eeuw. Al die -ismes (expressionisme, futurisme, dadaïsme, surrealisme, etc.) die ooit de toekomst in pacht meenden te hebben, wilden de oude burgerlijke beschaving vernietigen, om er een nieuwe wereld en een nieuwe mens voor in de plaats te stellen. Weg met musea en bibliotheken! ‘Praktische poëzie’ (Breton), luidde het parool, poëzie die het hele leven en niet alleen de literatuur veranderde. In de praktijk gebeurde alleen het laatste, ziedaar de paradox: het succes van de avant-garde kwam neer op het tegendeel van wat zij beoogd had. In Nederland en Vlaanderen is de vraag of ook het literaire succes (of zelfs maar de erkenning) ooit is gekomen. Ja, wel voor Paul van Ostaijen, zij het pas postuum, voor Hendrik Marsman, Jan Engelman, H.N. Werkman of Theo van Doesburg. Maar hoe zit het met A.H. Feis, Paul Verbruggen, Sjoerd Broersma, Jean Demets of Karel van den Oever?

Van hen had ik nog nooit gehoord voordat ik Dan Dada doe uw werk! las, een als representatief bedoeld bedoelde bloemlezing van ‘avant-gardistische poëzie uit de Lage Landen’, samengesteld door Hubert van den Berg en Geert Buelens. In chronologische volgorde zijn tegen de 150 gedichten opgenomen, alle uit 1913-1931 – de tijd van de ‘historische’ avant-garde.

De vernieuwingsdrift spat vaak van de pagina’s. In enkele, eveneens opgenomen manifesten (want alles moest worden uitgelegd, anders snapte het publiek er niks van) gaat men tekeer tegen de ‘asthmatische en sentimenteele ik- en zij-poëzie’ en pleit voor het herstel van de ‘innerlijke betekenis van het woord’, waarmee de ‘collectieve ervaring van onze tijd’ tot uitdrukking moet worden gebracht. Het staat in een manifest van De Stijl uit 1920, ondertekend door Van Doesburg, Mondriaan en Kok.

Paul van Ostaijen, op zijn beurt, waarschuwt dat poëzie ‘woordkunst’ is en geen ‘mededeling van emoties’. Maar vóór alles, dat blijkt bij bijna iedereen, moet poëzie ‘visionair’ zijn. Volgens Marsman gaat kunst uit van het ‘gevoel’, wordt dan ‘visioen’ en eindigt als ‘werk’. De Vlaming Wiens Moens, die alle waarachtige poëzie ‘visioenair’ noemt, denkt er niet anders over. Met dat visionaire blijk je alleen wel alle kanten op te kunnen, want het verschil is groot tussen Moens’ ‘humanistiese poëzie’ en de ‘constructieve dichtkunst’ van Van Doesburgs dichtende alter-ego I.K. Bonset.

Is alle visionaire poëzie per definitie avant-garde? De samenstellers hebben het zich wat dit betreft niet al te moeilijk gemaakt. Hun ruimhartige selectiecriterium was dat de poëzie ‘formeel [moest] afwijken van het traditioneel rijmende gedicht’ om een plaats in deze bloemlezing te verdienen.

Zo is een buitengewoon bont geheel ontstaan, vol pathos, god en katholicisme, maar ook voorzien van de nodige humor en lichtzinnigheid. Enerzijds lezen we, ik doe een willekeurige greep:

‘Hier is ’t de hoerenwereld, daar staat de slachterij.

En juichend danst de massa voor ’t gouden kalf’,

anderzijds dicht Du Perron, onder het pseudoniem Duco Perkens:

‘De hemel is één verdieping te hoog.

De zon ligt als een vergeten voetbal

onder de boomen

’t is tijd den dag wat op te ruimen’.

Dat klinkt toch wel echt heel anders dan bij de mij onbekende C. Stam:

‘een nieuw geslacht bloeit, waar het oude rot;

en speelt en lacht

tot de organen in den tijd vervallen’,

hoewel de betekenis niet eens zo verschillend uitpakt, want opgeruimd wordt er in beide gevallen.

Even leek zich een verschil af te tekenen tussen Noord en Zuid, met de ernst vooral aan Vlaamse zijde. Wellicht vanwege de Eerste Wereldoorlog (‘wij zijn de heiligen uit de wereldkrijg’) en de kwellende Vlaamse kwestie (de jonge Marnix Gijsen die smeekt om ‘een vaderland om te beminnen’), terwijl de Vlamingen ook meer lijken te worstelen met geloofszaken en opvallend vaak de heilige Franciscus te hulp roepen, getuige opnieuw Marnix Gijsen die de naamgenoot van de huidige paus verzoekt:

‘Gij die uw lijf beborduurdet met het fijne geduld der geeseling,geef mij mijn dagelijkse pijn...’

Aan Nederlandse kant is dan de meer de speelse, formele experimenteerlust te vinden, zoals in Antony Koks dreunende klankdicht ‘Nachtkroeg’, in de abstracte lettergedichten van Werkman en Bonset, of in een relativerende versregel van Van Doesburg als: ‘De scherven van de kosmos vind ik in m’n thee’. Het verschil verdampt weer, als we zien dat Van Ostaijen zich aan allerlei typografische experimenten waagt. En voor een speelse aanpak zijn we bij hem ook aan het goede adres, zie zijn pleidooi om al het oude te ‘dwingen tot kinderspel’. De wereld wordt weer nieuw en fris, als Marc ’s morgens de dingen groet. Schrijf het zo simpel mogelijk op en niemand die het leest zal het ooit weer vergeten – precies dat heeft Van Ostaijen gedaan in een van zijn bekendste gedichten.

Minder simpel, zij het niet minder geraffineerd is het gedicht ‘Vallende ster’ van Pierre Kemp – iemand die ik in deze context niet had verwacht. Maar ook sommige gedichten van de mij onbekende Karel van den Oever (‘De telefoonpaal’, ‘Aquarium’) hebben het vermogen je direct te raken.

Van veel andere avant-gardepoëzie kan dat moeilijk worden gezegd. Blijkbaar is het orgaan voor het bewonderen van poëtisch pathos sinds 1931 gekrompen, al kan het ook aan de spelling liggen dat jubelzangen over de ‘nieuwe Mensch’ nu al bij voorbaat iets belegens hebben. In een wereld vol dichtende individualisten die niet in vooruitgang geloven, wordt de avant-garde zo vanzelf kansloos.

Toch heb ik mij met deze bloemlezing wel degelijk vermaakt. Vanwege curiosa als een mij onbekend gedicht van de schilder Carel Willink en twee Nederlandstalige gedichtjes van Kurt Schwitters, maar ook omdat de poëzie tamelijk recht voor zijn raap, in chronologische volgorde, wordt gepresenteerd. Niet de literatuurgeschiedenis is bepalend, maar de poëzie zelf. Hoezeer deze avant-gardisten ook naar een collectief verband hunkerden, je krijgt ze hier te lezen als individuele dichters.

De samenstellers doen in hun nawoord uitdrukkelijk geen uitspraken over de ‘poëtische kwaliteiten’ van de opgenomen gedichten. Maar het is moeilijk daar als lezer niet op te letten. Wat blijkt? Een enkele uitzondering daargelaten, zijn het toch vooral de bekende namen (van wie sommigen nadien in heel ander vaarwater terecht kwamen) die mij het best bevielen. Dus zelfs in de avant-garde, die hem had willen afschaffen, bewijst de canon zijn waarde. Een hele opluchting: ook als de vooruitgang verdwijnt, blijft het talent.