Opinie

Als een leger boven discussie verheven is

In de Amerikaanse samenleving staan de strijdkrachten enorm hoog aangeschreven. Te hoog, volgens de journalist James Fallows. De verering van al het militaire is bij publiek en politiek zo overdreven groot dat kritiek amper mogelijk is, schrijft hij in een uitdagend omslagartikel van het jongste nummer van The Atlantic.

De militairen zijn per definitie helden. De generaals doen nooit iets fout. En het leger is, om Obama te citeren, „de beste krijgsmacht in de geschiedenis van de wereld”.

Dat Amerika al dertien jaar oorlog voert zonder dat dit een duidelijke overwinning heeft opgeleverd, doet daar blijkbaar niets aan af. Het leidt zelfs niet tot discussie over de effectiviteit van dat hoogwaardige en peperdure militaire apparaat. Dat is domweg boven discussie verheven.

De rechterlijke macht, het onderwijs, de media, het Congres, het grote bedrijfsleven – het respect voor al die instituties is de afgelopen decennia sterk afgenomen. De enige uitzondering is het leger. Vooral sinds 9/11 heeft dat een bijna heilige status.

Maar daar hoeven de militairen er niet blij mee zijn, stelt Fallows. Integendeel. Die omstandig beleden liefde voor de strijdkrachten gaat volgens hem namelijk samen met een onmiskenbare onverschilligheid. Voor de militairen mag het jarenlang oorlog zijn geweest in Afghanistan en Irak, aan de meeste burgers ging dat min of meer voorbij. Ze kennen amper iemand in uniform. Het is „alsof het verlenen van de heldenstatus aan de militairen een compensatie is voor het feit dat ze op eindeloze missies worden gestuurd die nooit te winnen zijn”. Maar ja, daar heeft Amerika het liever niet over.

Jullie zijn fantastisch, we bewonderen en steunen jullie, jullie krijgen alle dure spullen die jullie hebben willen – maar val ons er verder niet mee lastig. Het land, schrijft Fallows, „is bereid alles voor zijn strijdkrachten te doen, behalve ze serieus te nemen”.

Dat is niet altijd zo geweest. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en ook nog tijdens de Vietnamoorlog was het leger veel minder een wereld apart. Iedereen hoorde uit zijn omgeving wel verhalen hoe het er toeging. Ook toen was er respect en waardering, maar niemand verkeerde in de illusie dat in de militaire wereld alles perfect was. Amerika voelde zich genoeg op zijn gemak met zijn strijdkrachten, zegt Fallows, om er kritiek op te kunnen hebben en grappen over te maken, ook in films en op tv. Tegenwoordig is de afstand zo groot dat de militairen zelfs geen verantwoording meer hoeven af te leggen voor de manier waarop ze grote oorlogen hebben gevoerd.

Deze kritische analyse van Fallows, die al sinds de jaren zeventig over defensiezaken schrijft, is niet alleen voor Amerika van belang. Ook voor landen als Nederland doet het er toe hoe de grote bondgenoot omgaat met zijn krijgsmacht. Is het reilen en zeilen ervan onderwerp van een stevig politiek debat? Of worden belangrijke beslissingen eigenlijk op de automatische piloot genomen? Beslissingen over aanschaf van een nieuw type gevechtsvliegtuig als de JSF bijvoorbeeld, of over deelname aan een oorlog. Voor een kleine bondgenoot die liever niet langs de kant blijft staan, maakt dat nogal wat uit.

In november werd een ex-marinier uit Massachusetts in het Huis van Afgevaardigen gekozen. Deze Seth Moulton, 36 jaar oud en Democraat, gelooft net als veel andere (ex-) militairen dat Amerika waarschijnlijk niet aan de Irak-oorlog was begonnen, als meer politici, journalisten en zakenlieden kinderen in uniform hadden gehad. Mike Mullen, van 2007 tot 2011 de hoogste militair, zegt dat niet met zoveel woorden, maar deelt de frustratie: „Het is gewoon te makkelijk geworden om ten oorlog te trekken”, zegt hij.