Tino Sehgal doet ‘rare’ dingen in het Stedelijk

Tino Sehgal: „In het Westen hechten wij meer belang aan spullen dan aan ideeën.” Foto Wolfgang Tillmans

Een spectaculaire opening zal er niet zijn. Bijna onopvallend gaat op Nieuwsjaarsdag in het Stedelijk Museum het eerste overzicht van de Duits-Britse kunstenaar Tino Sehgal (1976) van start. Om tien uur zullen de deuren van het museum geopend worden, zoals dat iedere ochtend gebeurt. Bezoekers zullen binnenstromen, hun jassen afleveren bij de garderobe en op de begane grond de zalen met de collectiepresentatie binnenlopen. En dan, in de derde zaal, waar normaal de werken van de expressionisten hangen, stuiten ze op een verrassing. De ruimte is leeg, de schilderijen zijn weg. Er ligt alleen een man op de grond die robotachtige bewegingen maakt en langzaam voortkruipt.

A Year At The Stedelijk: Tino Sehgal is in meerdere opzichten een unieke tentoonstelling. Ieder moment dat het museum in 2015 geopend is, zal er een werk van Sehgal te zien zijn. Iedere maand is dat een ander werk, en iedere keer in een andere zaal. Al die werken zullen live worden opgevoerd door acteurs, dansers, zangers of andere figuranten die door Sehgal zijn ingehuurd. Zo trekt de tentoonstelling stap voor stap door het museum – als een levend organisme.

De overzichtstentoonstelling begint met een werk dat het Stedelijk Museum in de eigen collectie heeft: Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things uit 2000. In deze interventie – aan het woord performance heeft Sehgal een hekel – neemt een danser lichaamsposities aan die verwijzen naar het werk van Bruce Nauman en Dan Graham, kunstenaars die net als Sehgal belangstelling hebben voor dans. Het verschil is dat zij hun bewegingen voor de camera opnamen en die video’s in musea toonden. Sehgal heeft van hun bewegingen weer dans gemaakt.

Steeds omvangrijker

De aftrap zal door de kunstenaar zelf worden gedaan. „Ik wilde het niemand aandoen zo vroeg op Nieuwsjaarsdag te beginnen”, grinnikt hij door de telefoon, vanuit zijn woonplaats Berlijn. „En het leek me wel symbolisch om zelf mijn overzichtstentoonstelling te beginnen met het uitvoeren van Instead of..., het eerste werk dat ik ooit heb gemaakt.”

Voor het Stedelijk betekent de tentoonstelling een enorme logistieke operatie. Iedere maand zullen er nieuwe uitvoerders voor de kunstwerken moeten worden ingehuurd, en daarmee is een flink budget gemoeid. Om geschikte kandidaten te vinden, organiseert het museum audities. Voor sommige van Sehgals werken zijn kinderen of pubers nodig, voor andere sociale werkers of economen.

De tentoonstelling kent een spanningsboog: in de loop van het jaar worden de ‘situaties’ steeds omvangrijker, na de zomer neemt het aantal figuranten geleidelijk weer af. Het hoogtepunt ligt in juni, als tijdens het Holland Festival het werk This Variation wordt opgevoerd, Sehgals succesnummer op de Documenta van 2012. Daarvoor zijn op ieder moment van de dag minstens vijftien zangers nodig die samen een menselijke beatbox vormen en die in het pikkedonker de museumbezoeker zullen betoveren met hun klanken.

Morgen begint de expositie subtiel, met één enkele danser. Voor januari zijn in totaal acht dansers ingehuurd die dagelijks in drie shifts van twee uur en veertig minuten werken. „Fysiek is dit werk niet zo inspannend”, zegt Sehgal. „De bewegingen zijn vrij relaxed. Wat het werk intensief maakt, is dat ze tijdens het dansen de choreografie deels zelf moeten componeren. De verschillende lichaamsposes neem ik met ze door, ik oefen vooral de bewegingstechnieken. Maar hoe ze van de ene positie naar de andere gaan, en in welke volgorde ze dat doen, mogen ze zelf bepalen. Vergelijk het met een park vol wegwijzers. Er zijn herkenningspunten, maar hoe je de route van A naar B aflegt, is jouw keuze.”

Voor de museumbezoekers zal Sehgals expositie tot verwarrende taferelen leiden. Je kunt stuiten op mensen die elkaar zoenen in een vertraagde liefdesdans (Kiss, 2004). Iemand kan je vragen naar je ideeën over economische groei (This is exchange, 2003). En een suppoost kan opeens een dansje doen (This is so contemporary, 2005). Zoeken naar een tekstbordje met uitleg heeft geen zin. Sehgal legt niets vast op papier. Er zijn geen zaalteksten, er is geen catalogus. De kunstenaar wil dat je zijn werk ‘onbemiddeld’ tegenkomt, zodat je ervaring zo puur mogelijk is.

Die houding maakt Tino Sehgal tot een van de radicaalste kunstenaars van dit moment. Hij doet niet mee aan de marketing rond zijn werk, hij brengt geen publiciteitsfoto’s in omloop. Wie een werk koopt, krijgt geen koopcontract maar gaat een mondelinge overeenkomst aan. Toen de toenmalige directeur van het Stedelijk, Gijs van Tuyl, in de zomer van 2005 Instead of... wilde aankopen, moest hij met een delegatie van de museumstaf op het Amsterdamse notariskantoor Allen & Overy verschijnen. Daar werden in aanwezigheid van de kunstenaar en diens galeriehouder Jan Mot de koopvoorwaarden voorgelezen, die de museumconservatoren uit hun hoofd dienden te leren. Bijvoorbeeld dat het werk niet gefotografeerd mag worden, en dat het salaris van de dansers geïndexeerd moet zijn.

Handeling is product

Vaak gaat de kunst van Sehgal, die behalve als danser ook is opgeleid als politiek econoom, over de werking van de markteconomie. Zo liet hij op de Londense kunstbeurs Frieze kinderen zijn werk met mooie praatjes verkopen, alsof ze galeriehouders waren (This is about, 2003). Je zou daarin een cynisch commentaar kunnen lezen op de kunstmarkt, maar dat is volgens Sehgal niet de bedoeling. „Ik zie de kunstmarkt meer als een antropologische constante. Het is een systeem van transacties, en dat is nu eenmaal de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Kinderen doen dat al: als ik jou dit geef, dan krijg jij dat van mij. Ik heb daar geen kritiek op. Dat zou net zo raar zijn als kritiek hebben op de lucht. Je kunt wel zeggen: de lucht in Beijing is slechter dan de lucht in de Alpen. De kwaliteit van de lucht, daar kun je iets van vinden. Zoals je ook kritiek kunt hebben op hoe de markt gereguleerd is.”

In onze westerse cultuur hechten wij veel belang aan materiële zaken, zegt Sehgal, terwijl dat helemaal niet zo vanzelfsprekend is. „Voor de Grieken waren ideeën veel belangrijker. Plato hechtte meer belang aan ideeën dan aan materiële zaken omdat ideeën eeuwenlang mee konden gaan, terwijl zoiets als een stoel snel kan vergaan. In oosterse culturen draait het vooral om spirituele ontwikkelingen, om het werken aan je persoonlijkheid. Westerlingen vinden spullen belangrijker dan acties. Pas in de laatste twee decennia is er bij ons aandacht voor het werken aan jezelf, en zie je bijvoorbeeld persoonlijke coaches en therapieën opkomen.”

Hij maakt wel degelijk producten, zegt Sehgal, maar die producten zijn gebaseerd op handelingen. Daarmee plaatst hij zich in een lange traditie van conceptuele kunst. Maar terwijl conceptuele kunstenaars in de jaren zestig vaak alsnog een certificaat maakten om hun ideeën aan een museum te kunnen verkopen, doet Sehgal ook daar afstand van. „Toen ik aan dit traject begon, heb ik een advocaat om advies gevraagd. Hij zei dat zo’n schriftelijk certificaat niet nodig was. Een mondeling contract is ook rechtsgeldig. Het leven zit vol met mondelinge afspraken. Als je in een restaurant eten bestelt, ben je verplicht dat te betalen, ook al heb je de overeenkomst niet zwart op wit vastgelegd. Wie zonder betalen het restaurant verlaat, kan erop rekenen dat de politie wordt ingeschakeld.”

Het is de vraag of Sehgal door zijn radicale opvattingen hinder heeft ondervonden op de kunstmarkt. Zou hij nog succesvoller zijn geweest als hij wel catalogi had gemaakt? „Toen ik met dit werk begon, heb ik daar wel over getwijfeld”, geeft Sehgal toe. „Ik had niet gedacht dat mijn kunst zo snel succes zou hebben. Het bewijst maar weer hoe belangrijk mondelinge overdracht is. Het maakt veel meer indruk als iemand die jij goed kent, zegt: ‘Dat werk moet je zien.’ Zo’n persoonlijke aanbeveling is veel sterker dan een recensie in een krant of een like op Facebook.”

Dat bezoekers stiekem foto’s van zijn werk maken met hun mobieltjes, kan Sehgal niet voorkomen. Maar daarover maakt hij zich niet meer zo druk. „Donna Haraway zei al in de jaren negentig dat we allemaal cyborgs zouden worden. Nu we zijn inderdaad fysiek constant in contact met onze telefoons. Maar ik denk niet dat deze apparaten zo machtig zijn dat ze ons leven wezenlijk veranderen.”

Soms, zegt Sehgal, voelt hij wel medelijden als hij al die mensen naar hun mobieltje ziet staren terwijl de echte gebeurtenis zich voor hun neus afspeelt. „Dan missen ze dus onze multidimensionale werkelijkheid doordat ze naar hun tweedimensionale beeldscherm kijken. Ze leggen een ervaring vast voor de toekomst, maar ze missen het heden. Vooral bij mijn werk in de Turbinehal van Tate Modern in 2012 zag ik dat veel gebeuren. Een mobieltje is als een derde oog. Als mensen daarmee mijn werk vastleggen, betekent het ook dat ze het goed vinden en willen delen. Als niemand mijn werk meer zou fotograferen, zou dat ook tot nadenken stemmen.”